Eén woord beheerst de stad

NEW YORK. De hele zaterdag hadden de dames en heren van de nieuwsrubrieken op de televisie zich al opgewonden. Met ongekende snelheid was een weergaloze sneeuwstorm in aantocht. Historisch! Records zouden worden gebroken. Wie niet per se van huis moest diende zoveel mogelijk binnen te blijven, als het leven haar/hem lief was. Laat in de avond was van het weermannengezicht een lichte teleurstelling af te lezen: er was een kans dat de storm op het nippertje naar de Oceaan zou afzwenken, maar in ieder geval zou de kust dan nog last hebben van hoog water. Schrale troost.

Zondagochtend om acht uur lagen de daken erbij als altijd: zwart. Eén sneeuwvlokje dwarrelde langs het raam: het kon ook een verdwaalde mot zijn geweest. Wel werd de hemel veelbelovend grauw, de hoop van de weerman was zichtbaar herleefd, hij beloofde wel vijf inches voor het zes uur was maar tot een uur of twaalf gebeurde er verder niets. Toen, om een uur of een, begon het plotseling goed op gang te komen. De torens van het World Trade Center verdwenen uit het zicht, daarna ook de daken van de hoge huizen een blok of vijf, zes verderop. De grote kom die zich uitstrekt van mijn raam tot die rij van wolkenkrabbertjes was veranderd in de onherbergzaamheid van een grijze hel.

Zoals u weet heeft het daarna de hele nacht gesneeuwd en het resultaat was dat op de eerste werkdag van de week het centrum van de wereld machteloos onder een witte deken van een halve meter dikte lag. Het eerste levende wezen dat ik die ochtend tevreden uit het raam kijkend zag, was een hond op het dak van de overburen. Hij werd even uitgelaten, hij beleefde de uitlating van zijn leven, dol van blijdschap en opwinding rolde en sprong hij door de sneeuw. Op een andere manier gedroeg hij zich niet anders dan de weermannen van de televisie.

Intussen had de techniek van mijn schrijfgerei het door heel andere oorzaken laten afweten, zodat ik 's middags naar een van de lagere nummers op Broadway ben gegaan, waar een vriend en collega mij zijn computertje te leen had aangeboden. Met lijn E naar Canal Street en dan nog een paar blokken naar het oosten. In zijn gewone doen is Canal Street een van de drukste straten van de stad. Vrachtverkeer davert dag en nacht naar de Holland Tunnel, links en rechts zijn de winkels van de Japanners met horloges uit Hongkong. Geen enkele auto behalve een in een sneeuwhoop gestrande stadsbus, en alles was dicht. Zo liep schrijver dezes om een uur of half twee, zware sneeuwvlagen trotserend, als enige mens op het midden van die vervaarlijke rijweg. Dit, verzeker ik u, was een uitzonderlijk pleziertje, zoniet een ogenblik van geluk. Nergens was nog verkeer, op een paar skilopers na, maar op een klaarlichte dag middenop Canal Street de elementen trotseren: dat is nog iets anders. En dan: eindelijk de voetganger de baas; niet allemaal maar één.

Men went aan alles, zegt men, maar niet in één dag. De media konden er niet genoeg van krijgen. Telkens werden nog meer inches en voeten gemeten, telkens nog hogere sneeuwhopen ontdekt. Dappere brandweerlieden werden geïnterviewd, de burgemeester kondigde de noodtoestand af. Wat anders? Niettegenstaande dat alles werd het toch ieder uur meer van hetzelfde. Onvermijdelijk gebeurt het dan dat het contemplatieve deel van je brein weer terrein wint.

Nu, alweer met het ergste achter de rug (maar misschien nog meer in het verschiet, zei de zich toch weer verkneuterende weerman) valt het niet alleen mij maar ook de hoofdartikelschrijver van The New York Times en de columnist Russel Baker op hoe grenzeloos opgelucht de mensen kunnen zijn als iets ongevaarlijk in de war loopt. Sneeuw is zacht, het lot van de sneeuw in deze buurten is dat ze binnenkort weer smelt, maar intussen zijn de scholen dicht, de warenhuizen ook, de bevrediging van alle materiële begeerte moet even worden opgeschort, en dat alles bij elkaar veroorzaakt zowel chaos als rust. Precies wat we kennelijk soms nodig hebben maar een toestand die geen politieke partij ons in het vooruitzicht kan of wil stellen. Alleen die hond op het dak kwam er eerlijk voor uit.

Toen kreeg ik weer bewondering voor de Amerikanen. De handelaren in sneeuwscheppen, ruimers, bezems bleven dag en nacht open en deden geweldige zaken. De zwaarste sneeuwval werd ogenblikkelijk met het zwaarste materiaal aangevallen. Sneeuwploegen verschenen in colonnes op straat en maakten gebergtes langs de stoepen. De burgerij begon te vegen. Geen wonder dat ze de wereldoorlogen hebben gewonnen, geen wonder dat ze er in Bosnië aan te pas moesten komen.

En dan toch ook weer wordt de heilige gezondheid niet vergeten. Op de televisie verscheen een dokter met raadgevingen voor amateur-sneeuwruimers. Dikke mensen, sterke rokers kregen de opdracht, niet meer dan één schep per minuut te doen. Wie nog ongezonder was moest er liever helemaal niet aan beginnen. Het is nu dinsdagavond half zes. In New York is de rest van de wereld vergeten. Eén woord beheerst de stad: Sneeuw. Misschien nog meer!