Duits toneelsprookje in apekooi blijft duister

Voorstelling: Meneer Paul van Tankred Dorst door Blauwe Maandag Compagnie. Hertaling: Pjeroo Roobjee. Regie: Johan Dehollander. Decor: Herman de Roover. Spel: Jan Decleir, Brit Alen, Vic de Wachter, Karlijn Sileghem. Gezien: 9/1, Stadsschouwburg Amsterdam. Aldaar: t/m 13/1. Inl. 020-6242311. Tournee door Nederland.

De symboliek van Meneer Paul, een stuk van de Duitse schrijver Tankred Dorst, is niet eenvoudig vast te stellen. Misschien bestaat die wel helemaal niet, hoewel de 'Ossi' en 'Wessi' ter gelegenheid van de uitvoering van het Berlijnse Deutsches Theater in vorig jaar onmiddellijk gedacht schijnen te hebben, dat het stuk over hen ging. De titelrol werd ook nog eens vervuld door de uit de voormalige DDR afkomstige acteur Kurt Böse. In 1994 werd Herr Paul in het tijdschrift Theater Heute in elk geval uitgeroepen tot stuk van het jaar.

Maar perfect toegesneden op de vereniging van de beide Duitslanden, hoe wrang die ook uitgepakt mag zijn voor het oostelijke deel, is Meneer Paul niet. De titelheld is, om het eenvoudig te zeggen, een zonderling, die samen met zijn ook al niet geheel doorsnee-zuster een oude zeepziederij bewoont. Behalve hij is de motor van het stuk het overlijden van de eigenaar: de erfgenaam komt het gebouw opeisen met de bedoeling het om te vormen tot een moderne wasserij. Hij wil, om te beginnen, dat meneer Paul verkast naar het voorhuis. Maar meneer Paul wil dat niet, althans negeert en frustreert die wens.

Dat is, een stuk lang, de dramatische 'handeling', tot de erfgenaam zijn zinnen verliest en de lastpak die zijn toekomst blokkeert, om zeep brengt. Net als hij spijt begint te krijgen van zijn daad, staat het slachtoffer weer voor hem: onuitroeibaar, kennelijk, onoverwinnelijk, op het religieuze af onsterfelijk of op zijn minst wedergekeerd.

Meneer Paul is een sprookje zonder al te duidelijke moraal. De titelheld mag niet in veelal onheil brengende vooruitgang geloven, hij is ook een querulant, een pestkop en een conservatief. Zoals hij niet integraal het goede symboliseert, staat de ambitieuze erfgenaam niet voor het kwade. Hij wil zijn eigen portemonnee dienen, maar op redelijke voorwaarden, met een zeker respect voor oude rechten.

Het ongewisse van Dorsts stuk doen regisseur Johan Dehollander en Blauwe Maandag Compagnie niet vergeten. Ze brengen het stuk met veel aplomb, brede gebaren, kolderieke interpretaties van zinsneden, verrassende huppelpasjes en in charmant en smeuïg uitgesproken dialect (dat overigens moeilijk te volgen is) - maar de duisternis wordt, letterlijk zelfs, intact gelaten.

Het nauwelijks verlichte en gedurig met mistflarden gevulde toneelbeeld - het onttakelde toneelhuis met een enkel zetstuk, zoals een oude piano en een diagonaal geplaatste balk die de ruïne verbeeldt en soms als wip dienst doet - herinnert nog het meest aan een apekooi. In de lucht bungelt een stoel, waar de onverstoorbare meneer Paul, robuust, rondborstig en kinderlijk-primitief vertolkt door Jan Decleir, van tijd tot tijd als een mensaap aan gaat hangen. Dit alter-ego van het onaangepaste heeft nog een eigen alter-ego, het idiote buurmeisje Anita, die nog meer dan meneer Paul een Caspar Hauser is: weerloos tegenover het geweld van de beschaving.

Dat kan ik wel zien, maar hoe dubbelop die associatie ook is, een duidelijke functie heeft zij niet. Pleit Dorst voor primitivisme of, gunstiger verwoord, voor poëzie? Is alle vooruitgang een stap terug? Loopt westelijk Duitsland het oostelijke deel onder de voet? Moet alles bij het verre van volmaakte oude blijven? Uitstekend gespeeld, smakelijk geënsceneerd, een beetje al te luidruchtig soms ook, geeft Blauwe Maandag Compagnie geen antwoord.

    • Pieter Kottman