De overheid moet meer optreden als regisseur en minder als uitvoerder

Meer marktwerking is dringend gewenst, daarover mag volgens Rick van der Ploeg geen misverstand bestaan. Maar meer marktwerking vraagt ook om een andere en sterkere overheid. Daarbij kan een vleugje tucht van de markt in de uitvoering van het overheidsbeleid geen kwaad.

Het is triest dat de fixatie in Nederland op het financieringstekort en de staatsschuld mede heeft bijgedragen tot een overmaat van privatisering om puur financiële motieven. Echter, het spekken van de kas heeft in het beste geval geen effect op de netto-vermogenspositie van de overheid. Immers, privatisering is het afstoten door de overheid van een eigendomsrecht op winst. Daarom staat tegenover de eenmalige opbrengst van de verkoop van het staatsbedrijf het verlies aan toekomstige dividenden voor de overheid. In een goed werkende markt is de prijs van het aandeel precies gelijk aan de contante waarde van verwachte, toekomstige dividenden die de overheid misloopt, dus gaat de overheid er financieel bezien geen snars op vooruit. Privatisering is op zijn plaats waar een omgeving van volledige mededinging, desnoods door het opbreken van grote staatsbedrijven, gegarandeerd kan worden. Zo is het goed dat DSM nu een bedrijf is.

Zolang echter niet gegarandeerd kan worden dat het geprivatiseerde bedrijf zal opereren in een omgeving met voldoende concurrentie, bestaat zelfs het gevaar van monopolievorming, machtsmisbruik en het negeren van het algemeen belang. Hier moet onderscheid gemaakt worden tussen 'natuurlijke' monopolies waar de gemiddelde kosten over de gehele linie afnemen met de schaalgrootte van produktie, en 'kunstmatige' monopolies waar concurrentie verhinderd wordt door prijs- en marktverdelingsafspraken of door overheidsbeleid.

Voorbeeld van een natuurlijk monopolie is een geprivatiseerd energie- of gasdistributiebedrijf. Voorbeelden van (tijdelijke) kunstmatige monopolies zijn de privatisering van KPN en het ABP. KPN zou zo snel mogelijk aan meer concurrentie blootgesteld moeten worden. Privatisering van het ABP geschiedt terwijl ambtenaren nog geen enkele keuze hebben bij welk fonds of welke verzekeraar ze willen sparen voor hun pensioen.

Er hoeft niets mis te zijn met het ontbreken van voldoende mededinging, maar dan is privatisering niet op zijn plaats. Als privatisering wel gebeurt, dan kan de overheid niet tegelijkertijd hoofdaandeelhouder zijn en toezicht houden op eerlijke concurrentieverhoudingen.

Een geprivatiseerd bedrijf dat de opdracht krijgt wettelijke taken uit te voeren leidt tot het gevaar van monopolistische gedrochten die prijzen en tarieven omhoog stuwen. Burgers en bedrijven zijn dan de dupe van privatisering. Door te privatiseren en tegelijkertijd markten te openen komt er meer concurrentie met als gevolg lagere prijzen, hogere kwaliteit en dus een grotere vraag. Het is dus de combinatie van marktwerking en privatisering die de beste perspectieven biedt op economische groei, werkgelegenheid en, onder de juiste voorwaarden, misschien zelfs een beter functionerende overheid.

Voor de discussie is het goed een vijftal vormen van 'privatisering' te onderscheiden welke onvermijdelijk leiden tot een herijking van de rol van de overheid.

Eén. Aanbesteding of contractering van publiek gefinancierde dienstverlening. Het bedrijf dat, gegeven een nauwkeurig omschreven pakket van (universele) dienstverlening en toegestane tarieven, voor de laagste subsidie de beste kwaliteit kan leveren wint het contract. Dit werkt goed bij de aanbesteding van bijvoorbeeld vuilnisophaal.

Maar bij de aanbesteding van het openbaar vervoer hoort een principiële discussie over subsidiariteit vooraf te gaan. Bepaalt Den Haag of bepalen de regio's het openbaar-vervoerbeleid? Zolang Den Haag elke streek voldoende budget geeft voor onrendabele lijnen, heb ik er geen moeite mee als de streek zelf bepaalt of bussen of treinen ingezet worden. Helaas is er nog steeds geen kabinetsstandpunt over hoe de adviezen van de commissie-Brokx/De Boer (bussen, trams) en de commissie-Wijffels (treinen) verweven moeten worden.

Twee. Vervanging van producent-gebonden door persoons-gebonden subsidies om zo meer recht te doen aan consumentensoevereiniteit en betutteling te vermijden. De ervaringen met kunst- en hulpmiddelen in de thuiszorg zijn niet negatief.

Drie. Invoering van inkomensafhankelijke subsidies (vouchers), omdat privatisering de toegankelijkheid van essentiële voorzieningen voor lage inkomens bedreigt. Zo leidt een terugtredende overheid in de huursector tot extreem hoge woonlasten voor de minima. Daarom gaat privatisering gepaard met een grotere inzet van de individuele huursubsidie.

Afschaffing van het ziekenfonds is onaanvaardbaar, maar als VVD-leider Bolkestein enerzijds pleit voor invoering van een verplicht, fatsoenlijk basispakket voor iedereen (dus zowel diegenen die voorheen in het ziekenfonds zaten en de rest die particulier verzekerd zijn) en anderzijds zich sterk maakt voor invoering van een inkomensafhankelijke individuele zorgsubsidie valt er misschien te praten. Helaas hult Bolkestein zich hier in een dikke mist.

Vier. Vervanging van directe subsidies door fiscale faciliteiten zoals voor het in dienst nemen van langdurig werklozen en leerlingen, onderzoek en ontwikkeling en kinderopvang. Voordeel is dat de overheid minder op de stoel van de ondernemer gaat zitten en dat de subsidies meer marktconform zijn in de zin dat goede initiatieven in de samenleving ondersteund worden. Nadeel is uitholling van het belastingstelsel en dus hogere belastingtarieven.

Vijf. Veilen van licenses to print money, zoals vergunningen voor mobiele telefonie, etherfrequenties, landingsrechten en servicestations langs de snelwegen. Dit levert geld op voor goede doelen en vermijdt een klef en ondoorzichtig proces van lobbyen.

We moeten onszelf niet voor de gek houden: het debat gaat niet over staat òf markt, maar over de modernisering van de overheid. Deze tijden vragen meer marktwerking, maar juist daarom ook om een andere en sterkere overheid.

Enerzijds realiseren we ons steeds meer dat de overheid meer als regisseur en minder als uitvoerder moet optreden en dat een vleugje tucht van de markt in de uitvoering van het overheidsbeleid geen kwaad kan.

Anderzijds moet de vraag beantwoord worden op welk niveau van overheid - gemeente, provincie, Den Haag of Europa - het beleid het beste vorm gegeven kan worden. De politiek zal zich steeds meer (moeten) verplaatsen van Den Haag naar de regio (zorg, werkgelegenheid, openbaar vervoer) en naar Europa (milieu, criminaliteit, asielzoekers).

Het spreekt voor zich dat de PvdA een leidende rol moet nemen in het maatschappelijk debat over de herijking van de rol van de overheid. Het op moderne wijze handen en voeten geven aan solidariteit tussen rijk en arm, gezond en ongezond, en jong en oud gebeurt immers nooit vanzelf.

    • Rick van der Ploeg