De onheilspellende alledaagse etsen van Jules de Bruycker (1870-1945); Oud Gent met een scheutje fantasie

Tentoonstelling: Jules de Bruycker. T/m 28 jan in: Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark Gent. Di-9u30-17u. Catalogus 980 Bfr.

Het is maar een klein etsje, een doorkijkje tussen scheefstaande huizen. Een oude vrouw zit over haar breiwerkje gebogen, kinderen kruipen spelend over straat. Het duurt even voordat je in de gaten hebt waarom dit alledaagse tafereel zo'n onheilspellende indruk maakt. Niet alleen wegens de enorme kathedraal die dreigend op de achtergrond staat en de hemel vrijwel aan het gezicht onttrekt. Er is ook iets mis met de mensen. De ingevallen wangen en donkere oogkassen van de oude vrouw geven haar gezicht het aanzien van een doodskop. De kinderen zien er al even luguber uit: de armpjes waarmee ze in een rooster op straat liggen te graaien zijn dun als luciferhoutjes. 'Steegje, Gent' staat onder de ets. Het is een bedrieglijk simpele titel. De markante kerken, huizen en straten die Jules de Bruycker (1870-1945) tekende en etste mogen dan terug te voeren zijn op bestaande lokaties in Gent, met realisme heeft zijn werk weinig te maken. De Bruycker had aan een paar kleine ingrepen genoeg om de werkelijkheid uit het lood te slaan. Zijn kerken en torens zien eruit als gotische wolkenkrabbers en de nietige mensjes die in de straten daaronder krioelen hebben vreemde, langgerekte ledematen.

Het Gentse Museum voor Schone Kunsten toont nog een paar weken tot welke verbluffende staaltjes etskunst De Bruycker in staat was: prachtige stadse taferelen waarin hij door een uitgekiend samenspel van licht en schaduw een broeierige, dreigende atmosfeer wist op te roepen. De etsen geven hun geheimen niet onmiddellijk prijs. De toeschouwer ontdekt in de schaduwpartijen steeds nieuwe details en wordt zo uitgenodigd dichterbij te komen om als het ware in de ets te kruipen.

Waar zijn Nederlandse vak- en tijdgenoot Marius Bauer veelvuldig naar India of het Midden Oosten reisde om onderwerpen te zoeken, had De Bruycker genoeg aan zijn geboortestad. Een klein scheutje fantasie volstond om Gent een exotisch aanzien te geven. Een gebeurtenis als het omhoogtakelen van de draak (symbool van Gent) op de spits van het Belfort krijgt door de Rembrandteske lichtval de allure van een sprookje.

De Bruycker was zijn artistieke carrière ooit begonnen met het illustreren van sprookjes. Afkomstig uit een straatarme Gentse familie had hij lange tijd in zijn levensonderhoud voorzien als behanger. Pas op dertigjarige leeftijd betrok hij een eigen atelier en mocht hij zich zelfstandig kunstenaar noemen. De catalogus rept van zijn sympathie voor 'eenvoudige mensen', maar daar is in zijn werk eigenlijk maar weinig van terug te vinden. Zijn marktkooplieden, theaterbezoekers en zwervers zijn opgeblazen of uitgerekt; een karikaturale neiging die hij zelfs in zijn portretten niet wist te onderdrukken.

In 1914 vluchtte De Bruycker voor de oprukkende Duitse troepen naar Londen, waar hij tot 1919 zou blijven werken. Hij maakte er een reeks macabere anti-oorlogsprenten en een paar kleine etsjes van de bedrijvigheid op straat. Vergeleken met zijn Gentse werk staan deze Londense straatgezichten iets dichter bij de werkelijkheid. De Bruycker laat in een prachtige ets zien hoe Piccadilly Circus er op een verregende namiddag bij heeft gelegen. Hoewel het een koude, grijze dag moet zijn, baadt de kletsnatte straat in het licht. Maar zelfs in dit ogenschijnlijk realistische tafereel zijn een paar groteske details geslopen. Het paard dat voor een koets staat ingespannen is volkomen uitgemergeld en een gehaaste voetganger lijkt een 'silly walk' te demonstreren.

    • Erik Spaans