Bedrijfsethicus pleit voor solide verantwoordelijkheidsbesef

Henk van Luijk, hoogleraar bedrijfsethiek van Nijenrode, is een redelijk man. Hij stelt geen moreel hoogdravende eisen aan het bedrijfsleven. Hij wil alleen dat afspraken gemaakt en nagekomen worden. En dat bedrijven hun verantwoordelijkheden beseffen. Zonder vertrouwen geen handel. En in een moderne samenleving zijn bij de handel vele partijen betrokken: klanten, overheid, leveranciers, medewerkers, en nog meer. Ondernemers hebben een veelzijdige verantwoordelijkheid en Van Luijk heeft het gevoel dat men dat hier en daar gaat inzien.

Henk van Luijk is voorzichtig optimistisch. “Maar dan hoor ik op de radio in een programma over de dreigende tweedeling in de maatschappij een directeur van de Rabo zeggen: 'Armoede in Nederland, dat is een zaak van de politiek'. En dan denk ik, we zijn nog niet erg ver. Geen kwaad woord over de Rabobank, maar hier blijkt toch wel dat het idee van gedeelde verantwoordelijkheid nog niet tot gewoonte is geworden.” Natuurlijk kan iedereen zijn verantwoordelijkheid bij de staat leggen, maar dan moet de staat wel de middelen krijgen om de taken te verrichten: geld en regulering. “Of er moet meer controle op het ondernemingsgebeuren komen”, zegt Van Luijk. “Als je de verantwoordelijkheid bij de overheid legt, terwijl je tegelijkertijd door je beslissingen een grote omvloed uitoefent op maatschappelijke verhoudingen, dan roep je meer controle over jezelf af.”

In 1983 was hij de eerste hoogleraar bedrijfsethiek in Europa. Niet dat hij er veel van wist, maar als ethicus, docerend in Groningen, was hij twee jaar eerder het toen juist opgerichte Amerikaanse blad de Journal of Business Ethics tegengekomen. Dat vond hij interessant, en hij schreef er twee stukken over voor Elsevier's Magazine. “Die heeft er blijkbaar over nagedacht, zeiden ze.” Sindsdien kreeg hij vijftien collega's in Nederland en elders in Europa, schreef hij zo'n vijftig wetenschappelijke artikelen over het onderwerp, en werd directeur van het European Institute for Business Ethics.

Van Luijk (1929) was jezuïet, zoals wel meer bedrijfsethici in de wereld. Hij doceerde godsdienstwijsbegeerte; in de jaren zestig werd het een studie naar de maatschappelijk betekenis van godsdienst, en dat leidde weer naar belangstelling voor ethische vragen. Zoetjesaan verdween de religie uit het zicht, totdat definitief het moment aanbrak om te beseffen dat “we op onszelf zijn aangewezen als we willen weten aan welke normen we ons te houden hebben”. Begin jaren zeventig, na 25 jaar in de orde, trad hij uit.

De tijd stond sindsdien evenmin stil. In een publikatie uit 1989 onderscheidde hij verschillende soorten ethiek. De meest vergaande was 'veranderingsethiek' - het streven naar een betere wereld. In het voorwoord van zijn boek Om redelijk gewin (1993) meldt hij dat deze ethiek in zijn schema is komen te vervallen, en vervangen door 'participatieve ethiek'. Dat is de 'niet afdwingbare morele verplichting' voor groepen en instanties in de samenleving om samen te werken in het algemeen belang. Het is de ethische benadering van het modieuze concept civil society - zoiets als het vroegere middenveld, maar dan een van de jaren negentig: flexibel en niet hiërarchisch.

Dat vergt enige uitleg. Bedrijfsethische analyses, zegt Van Luijk, gaan zo langzamerhand allemaal uit van het stakeholders model, dat wil zeggen van een opsomming van al degenen die er in redelijkheid vanuit mogen gaan dat bij bedrijfsbeslissingen met hun rechten en belangen rekening zal worden gehouden. Dat zijn niet alleen de aandeelhouders, maar ook de medewerkers, klanten, leveranciers, overheid, en bijvoorbeeld vertegenwoordigers van belangen als het milieu.

“Aan die beschrijving van de wereld waarin een onderneming opereert - zo'n 'betrokkenen-perspectief' - wordt niet meer getornd”, meent Van Luijk. “De vraag is nu waar die beschrijving op is gebaseerd. Hoe wordt de stelling gerechtvaardigd dat een bedrijf met alle rechten en belangen van alle betrokkenen rekening dient te houden?

“Om te beginnen: het is een fictie dat ondernemingen op een vrije markt zouden opereren. Ze bestaan in feite uit bundels van contracten met allerlei partijen - hun klanten, de overheid, en al die andereen. Het onderhouden en vooral controleren van die contracten is een hele klus, dat brengt hoge kosten met zich mee. Daarom zijn er bedrijfsethici die zeggen dat een onderneming alleen al op zakelijke gronden blijk moet geven van een correct ethisch besef. Op een puur vrije markt waarin ieder alleen op eigen gewin uit is en niemand op voorhand moreel te vertrouwen is, zijn de kosten zo hoog dat er niet meer te werken valt. Hoe groter het vertrouwen, dat wil zeggen hoe hechter het netwerk van afspraken en verantwoordelijkheden, des te lager de kosten.

“Er zijn ook ethici die dat afwijzen en zeggen: dat is te berekenend geredeneerd, je moet niet op economische gronden maar puur om morele motieven die samenwerking en dat vertrouwen nastreven. Ik neem liever een tussenpositie in. Ik constateer dat ondernemingen in ruime mate gebruik maken van het maatschappelijk bestel, of dat nu de politie is, of het rechtssysteem, of de communicatiemiddelen, of iets anders. Daardoor kunnen ze opereren zoals ze opereren. Ik vind dat daar iets tegenover mag staan; dat de samenleving het zakendoen mogelijk maakt, dient te worden gecompenseerd - een kwestie van verdelende rechtvaardigheid.

“In feite komt dit neer op een benadering van de samenleving als civil society. Dat hele gebied tussen staat en en markt, waar talloze vervlechtingen, convenanten en wisselende allianties te vinden zijn. Daar speelt zich het maatschappelijk leven af. Een steeds gecompliceerder manier van met elkaar omgaan, een veld waar niet helemaal duidelijk is waar de democratische controle ligt, waar de staatsinvloed begint en ophoudt. In dat veld opereert ook de onderneming.”

“De bestuurskundige Herman van Gunsteren heeft de positie van de onderneming in dat veld heel goed omschreven. Hij stelt vast dat bedrijven zichzelf opvatten als private instellingen, maar dat ze tegelijkertijd zeer invloedrijk zijn in de publieke sfeer. Dat blijkt verwarring te geven. Zo hebben ze een zeggenschap en aansprakelijkheid die juridisch heel slecht geregeld is. Bedrijven hebben geen stemrecht, maar kunnen ook niet tot een werkloosheidsbeleid verplicht worden. Wie oefent in feite de democratische controle op ondernemingen uit? Moeten dat de betrokenen zijn, of de overheid? Gebeurt dat door een samenspel, door zelfregulering die dan weer in de openbaarheid wordt gebracht?”

Je hoort van ondernemingen weinig over die verantwoordelijkheid. Heersend is vooral de Europese ideologie die de grootste concurrentie tussen de kleinste eenheden lijkt na te streven.

“Dat is precies het punt waar wij als Europees instituut voor de bedrijfsethiek aandacht aan moeten geven. Hoe ziet de civil society eruit binnen specifiek Europese verhoudingen. Een aanknopingspunt is het boek van Michel Albert van vier jaar geleden, Capitalisme contre Capitalisme, waarin hij twee vormen van kapitalisme tegenover elkaar zet. Traditioneel kennen we in continentaal Europa het Rijnlandse model dat veel meer dan het andere, het Angelsaksiche, gebaseerd is op overleg en consensus, en waar ondernemingen zich minder laten leiden door de aandeelhouders en de korte-termijn-rendementen die dezen eisen. Dat model kan een houvast bieden.”

In de discussie lijkt dat Rijnlandse model door de politiek en het bedrijfsleven al eendrachtig afgeschaft.

“Tja, wat is discussie? Ik zie het PvdA-Kamerlid Rick van der Ploeg in het ene geval voor meer marktwerking pleiten als het om de speelruimte van de onderneming gaat en de efficiëntie van het overheidsoptreden. Maar bij een andere gelegenheid hoor ik hem zeggen dat het woord 'markt' nu maar weer even wat minder gebruikt moeten worden, namelijk als het gaat om arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid. Het Rijnlandse model heeft kennelijk zijn langste tijd nog niet gehad.

“Niet dat het standpunt van Van der Ploeg veel oplost. Hoe denkt het paarse kabinet die tegenstelling op te lossen? Kun je ten dele voor het Rijnlandse model kiezen, zonder de vrijheid van de ondernemer aan te tasten, zonder het bedrijfsleven medeverantwoordelijk te houden?”

Komt u bedrijven tegen die zich wel verantwoordelijk voelen?

“Ondernemingen zijn door de bank genomen niet zo zelfzuchtig als het lijkt. Er wordt ook in toenemende mate tegengas gegeven tegen die retoriek van de niet-verantwoordelijkheid. We zijn al weer een beetje over de top van die mode heen.”

Waar maakt u dat uit op?

“Tegen mijn studenten zeg ik dan: uit de opiniepagina's van de NRC. Je merkt daar alleen veel te weinig van de discussies in de tijdschriften over bedrijfsethiek. Over de civil society zijn jullie voortdurend bezig, ook al is het niet altijd met die woorden. Maar wat dat betekent voor ondernemingen en hoe die daar zelf op reageren, dat blijft onderbelicht. Jullie houden je literatuur niet bij!”

Er zijn niet veel ondernemers die graag aan de discussie meedoen.

“Dat is waar. Ze hebben last van koudwatervrees. Als je ze al hoort, dan is het meestal per incident - als ze aangevallen worden. Maar in de twaalf jaar dat ik nu met bedrijfsethiek bezig ben, heb ik toch wel vooruitgang gezien. De afstand tussen de ethiekbeoefening en het bedrijfsleven is duidelijk kleiner geworden. Dat merk je de laatste jaren aan de enorme hausse aan bedrijfscodes waarin bedrijven hun normen op allerlei gebied vastleggen. Dat heeft vaak nog iets beveiligends, maar het kan een begin zijn.

“Maar er zijn ook andere tekenen. Bij het Europees instituut werken wij nu aan een ethical audit, zoiets als een accountantsonderzoek maar dan op ethisch terrein. Er zijn verschillende soorten audits. Zo begint in Nederland ook de criminal audit op te komen, waarbij je aan een bureau vraagt uit te zoeken of je toekomstige zakenpartner kosjer is. Een ethical audit is een omvangrijke operatie waarmee een organisatie als het ware haar morele temperatuur opneemt: wat zijn in feite de basiswaarden die het gedrag van deze onderneming bepalen. Zijn ze bekend? Zijn ze consistent, zijn ze op alle niveaus in het bedrijf gelijk, of spreken ze elkaar tegen? Waar liggen de fricties, en wat kost dat? Zo kan het morele klimaat van een organisatie bevorderd worden, vanuit het perspectief van alle betrokkenen. En ik moet zeggen, zo nieuw als het is, ik krijg daar grote belangstelling voor. Tien jaar geleden bestond dat niet. Het instrument niet, en de aandacht evenmin.”

Betekent het dat ondernemingen ethischer worden?

“Ach, ethischer worden, dat zou betekenen dat ik een maatstaf heb waaraan ik dat kan afmeten, en die heb ik niet. Ik ben eigenlijk alleen geïnteresseerd in standaarden die in het publieke en interne debat door de betrokkenen zelf ontwikkeld worden. Wat zijn onze basiswaarden, hoe willen wij gekend worden, en hoe houden we ons daar zelf aan, dat soort vragen. Van buitenaf opgelegde normen wil niemand meer.”

Hangt het uw klanten niet af en toe de keel uit, al dat gepraat over ethiek als een soort sociale technologie?

“Een beetje te redelijk allemaal? Twee maanden geleden was er de presentatie van een rapport van ons instituut over de ethische uitgangspunten van de speelautomatenbranche. Ik had een oud-student van me uit Groningen, de schrijver Dirk van Weelden, uitgenodigd om bij die presentatie een verhaal te houden. Ik kon me herinneren dat hij in zijn studententijd niet van de flipperkast was weg te slaan. Ik vroeg hem wat hij van het rapport vond, en hij zei: Tja, heel interessant hoor, maar het komt bij mij aan als een orkaan van redelijkheid. Dat is een opmerking waar ik de laatste tijd vaak aan moet denken.”

Misschien is het beter om het gewoon over 'fatsoen' te hebben.

“Die term gebruik ik de laatste jaren ook steeds meer. Hij heeft duidelijk appellerende waarde. Mensen willen in vrijwel alles wat je zegt meegaan, zolang je het maar geen ethiek noemt. Dan voelen ze zich gestigmatiseerd, op een plaats gezet waar ze niet willen staan. Er zit - met enige overdrijving - een doem op die term die ik er in al die tijd maar niet van af heb kunnen poetsen.”

Misschien omdat ethiek zo ijl en los van de dagelijkse werkelijkheid lijkt te staan. Normen moeten gefundeerd zijn in gemeenschappen, zeggen de communitaristen.

“O nee, bedrijven zie ik niet als gemeenschappen. Het zijn, zoals gezegd, bundels van contracten, of, om een andere modieuze term te gebruiken, 'netwerken'. Dat is het verschil tussen een liberaal-democratische en een communitaire aanpak. Ik word schichtig als er een nadruk zou vallen op dat overdreven wij-gevoel - volstrekt verstikkend dat gemeenschapsdenken.

“Ik heb liever een nuchterder en opener wij-gevoel, dat ook beter valt in te passen in die verschillende en wisselende netwerken waar we aan deel moeten nemen, en waar we onze verantwoordelijkheden hebben liggen. Dat haalt misschien een beetje de glans van morele noties af, maar je krijgt er wel een solide verantwoordelijkheidsbesef voor terug. Dan heeft bedrijfsethiek pas zin voor mij, en dan neem ik die orkaan van redelijkheid op de koop toe.”

    • Martijn de Rijk