Automobilist wint van fiscus

De rechter en de wetgever zitten af en toe behoorlijk in elkaars vaarwater. Dat komt vooral omdat de rechter niet alleen de wet toepast maar ook nagaat of de wet wel deugt. Dat is een juridische toets en geen politieke. Maar het is wel een toets waar de politici soms horendol van worden. Bijvoorbeeld bij de fiscale regeling van reiskosten; het onderwerp waar het kabinet Lubbers II (CDA/VVD) over struikelde. Het daaropvolgende CDA/PvdA-kabinet kwam er wel uit en was vastbesloten het autogebruik mede met fiscale maatregelen terug te dringen. Wie meer dan 30 kilometer van zijn werk woont en met de auto forenst, ging belasting bij betalen. Dat gebeurde door een inperking van de aftrekpost voor reiskosten. Om het eerlijk te houden, moest tegelijk de vaste inkomensbijtelling voor degenen die gratis privé in een zakenauto mogen rijden, worden verhoogd. Die bijtelling - de autokostenfictie - is 20 procent van de catalogusprijs van de auto. Zij werd voor de veraf wonenden opgetrokken tot 24 procent.

Nu bleef er nog een kleine categorie over van mensen die niet of nauwelijks voor privé doeleinden in hun zakenauto rijden. Doordat de autokostenfictie op hen niet van toepassing is, merkten die niets van de regeringspolitiek en de Tweede Kamer vroeg zich af of dat wel juist was. Staatssecretaris Van Amelsvoort zag geen probleem. Wetstechnisch zou het heel ingewikkeld zijn om ook voor die kleine groep de regels te verscherpen en er was al kritiek op de ingewikkeldheid van de maatregel. Volgens de wetgevingsexperts van Financiën sloot de zaak juridisch als een bus. De laatste twijfelaar werd over de brug getrokken door de opinie van de Landsadvocaat. Geen vuiltje aan de lucht, zo wist deze topjurist te melden. Zodoende kwam de zogenaamde aftoppingswet in 1990 in het Staatsblad.

Vijf jaar later zette de Hoge Raad de wetswijziging in het verdachtenbankje. Als een donderslag bij heldere hemel liet de Raad in een zijdelingse opmerking bij een zaak die ergens anders over ging, weten dat er iets aan de wet niet deugde. De fiscale wereld was in verwarring en CDA-senator Stevens kreeg de indruk dat er een 'tikkende tijdbom' bij staatssecretaris Vermeend (Financiën) op de stoep lag. Vermeend nam bijna een half jaar om tegenover Stevens te ontkennen dat het om een gevaarlijk explosief ging. Maar onlangs kwam de knal toch en wel uit het zuiden van het land. Een belastingadviseur stelde bij de rechter in Den Bosch dat hij door de aftoppingswet in zijn mensenrechten was aangetast. En inderdaad, de Bossche belastingrechter verklaarde een mensenrechtenverdrag dat in 1966 was gesloten om martelingen en rassendiscriminatie tegen te gaan, van toepassing op de belastingadviseur. Die wordt met zijn zakenauto gediscrimineerd ten opzichte anderen met net zo'n zakenauto die geen privé ritjes maken en zo aan de autokostenfictie inclusief de vier-procentsverhoging ontsnappen. Zo'n ongelijkheid in gelijke gevallen kan de rechter soms accepteren. Het argument van wetstechnische problemen blijkt voor de rechter evenwel onvoldoende om zo'n ongelijke behandeling door de vingers te zien. Het gerechtshof liet weten dat het zelfs nog wel coulance met Vermeend zou hebben gehad als die alerter op het schot voor de boeg van de Hoge Raad had gereageerd. Vermeend had het probleem evenwel op het bordje gelegd van een werkgroep en vond de Bossche rechter lang niet voortvarend genoeg. Door de recente uitspraak is de beer pas echt los. Als het autokostenforfait schuift, glijdt de reiskostenaftrek mee. En daarmee het fiscale ontmoedigingsbeleid voor het terugdringen van het autogebruik.

De wetgever zal trouwens ook wel ontmoedigd raken. In dit geval had hij er alle beschikbare deskundigen bij gehaald om een sluitende wet te maken. Toch halen de mensenrechten een streep door de rekening. Dit incident staat niet op zichzelf. In het afgelopen halfjaar sneuvelden op dezelfde grond bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens een - al vervallen - regeling die vrouwen van boven de 45 jaar vrijstelt van het bijdragen aan de kinderbijslag, bij de Hoge Raad de rioolregels van de gemeente Tilburg en een - inmiddels al bijgestelde - regeling over de aftrek van de kosten van kinderopvang, terwijl onlangs de Leeuwarder belastingrechter een deel van de mestheffingen onrechtmatig verklaarde met verwijzing naar de mensenrechten.

De ijver waarmee de rechter nagaat of een fiscale uitzonderingsregel misschien een verboden discriminatie bevat, is een op zichzelf staande ontwikkeling in de rechtspraak die niets met politiek te maken heeft. Maar ze komt wel in botsing met de heersende politieke wens om de belastingheffing mede in te zetten voor het ondersteunen van het milieu en het bevorderen van de werkgelegenheid. Een top-fiscalist in de persoon van advocaat-generaal Van Soest vroeg zich onlangs af of de Hoge Raad niet vanuit een al te verkokerde visie naar discriminerende regels speurt. Hoewel de Raad dat betoog verwierp zonder er een woord aan vuil te maken, hebben veel politici dezelfde reserves als mr. Van Soest.

    • Aertjan Grotenhuis