Twee maaltijden in Washington

Bij het lezen van het artikel in de krant van zaterdag over hoe Lubbers geen secretaris-generaal van de NAVO werd, - een fraai staaltje van onderzoeksjournalistiek - bekroop mij een gevoel van déjà vu. Wanneer en waar heeft de Nederlandse regering eens eerder verkeerde gevolgtrekkingen gemaakt uit een gesprek met een Amerikaanse minister van buitenlandse zaken?

Het was in 1958, eveneens in Washington. Op 7 oktober was er een diner op de Nederlandse ambassade, waaraan de Amerikaanse en de Nederlandse ministers van buitenlandse zaken, Joseph Luns en John Foster Dullles, aanwezig waren. Na het diner trokken beide ministers zich terug in de werkkamer van de ambassadeur, en het was daar dat Dulles enkele regels op een papiertje schreef.

Dat papiertje heeft, behalve Luns, niemand ooit gezien; maar Luns geloofde dat - deed het althans voorkomen alsof - het een Amerikaanse belofte van steun aan Nederland inhield in geval van een Indonesische aanval op Nieuw-Guinea. De Nederlandse politiek heeft Luns lange tijd op zijn woord geloofd. De teleurstelling was dus groot toen, in 1962, bleek dat Nederland niet kon rekenen op hulp van de Verenigde Staten. Integendeel, zij drongen erop aan dat Nederland Nieuw Guinea aan Indonesië zou afstaan.

Zeven en dertig jaar later, op 2 november 1995, vindt er weer een maaltijd in Washington plaats, nu in het State Department, waar de minister van buitenlandse zaken, Warren Christopher, gastheer is, gesecondeerd door enkele naaste medewerkers. Gasten zijn Lubbers en de Nederlandse ambassadeurs in Washington en bij de NAVO.

Op deze lunch moeten de Amerikanen tot de conclusie zijn gekomen dat Lubbers niet de geschikte man was om secretaris-generaal van de NAVO te worden. De Nederlandse gasten echter hadden een andere indruk van het gesprek en rapporteerden dienovereenkomstig aan Den Haag. Op grond daarvan stelde minister van buitenlandse zaken Van Mierlo daags daarna Lubbers officieel kandidaat voor die functie. Groot was de teleurstelling toen, weer een dag later, Van Mierlo van Christopher te horen kreeg dat de kandidatuur-Lubbers niet op Amerikaanse steun kon rekenen.

Er zijn natuurlijk grote verschillen tussen beide gevallen. In 1958 ging het om de toekomst van een hele bevolking, de Papoea's, en om leven of dood van Nederlandse en Indonesische militairen. In 1995 was het slechts te doen om de werkverschaffing van één man en het prestige van de Nederlandse regering. Volgens sommigen ging het bij Nieuw-Guinea om een Nederlands belang; dat kon van de kandidatuur-Lubbers niet beweerd worden.

Dat betekent - het zij tussen haakjes gezegd - dat ik het niet eens met prof. Van der Beugel ben wanneer hij op 4 januari op deze pagina stelt: “men kan geen constructie bedenken die de Nieuw-Guineapolitiek kon legitimeren met nationaal belang”. Dat kon men wel, en men deed het ook: het beginsel van zelfbeschikking (aldus bijvoorbeeld minister Klompé) of “de noodzaak ons volk een object te doen behouden waardoor het (...) gedwongen wordt geestelijk 'op de tenen' te blijven staan” (aldus Luns). Men hoeft het hiermee niet eens te zijn, maar het zijn wèl constructies van nationaal belang.

Daarentegen stem ik met Van der Beugel overeen wanneer hij in hetzelfde artikel over de kandidatuur bij de NAVO zegt: “Het nationaal belang van Nederland is uitsluitend gediend met de keuze van een zo kundig mogelijke secretaris-generaal. Of dat een Nederlander is of niet, heeft geen enkele relevantie voor het Nederlandse belang.” Haakjes sluiten.

Er zijn nog meer verschillen tussen 1958 en 1995. Er valt veel voor de stelling te zeggen dat Luns, met zijn zogenaamde Amerikaanse belofte, het Nederlandse volk misleid heeft. Of misschien had hij - maar dan tegen het advies van zijn ambassadeur in Washington, Van Roijen - zichzelf wijsgemaakt dat er sprake was van zo'n belofte. In elk geval voelden vele politici zich, toen er in 1962 geen Amerikaanse steun bleek te komen, “knap belazerd door Luns”, zoals een van zijn partijgenoten (het Kamerlid Th. de Graaf) opmerkte. Welnu, van belazeren kan de tegenwoordige minister van buitenlandse zaken niet beticht worden.

De overeenkomst tussen 1958 en 1995 ligt in de verkeerde interpretatie die - de eerste keer wellicht moedwillig, de tweede keer in goed vertrouwen - van Nederlandse zijde gegeven is aan woorden van Amerikaanse bewindslieden - met dien verstande dat de tegenwoordige ambassadeur in Washington na de lunch van 2 november eveneens in een euforische stemming scheen te zijn, terwijl zijn voorganger Van Roijen nooit heeft geloofd in een Amerikaanse garantie en zulks ook naar Den Haag rapporteerde.

De vergelijking tussen Nieuw-Guinea en de kandidatuur-Lubbers is bijna frivool, maar niet oninteressant, voor zover zij licht werpt op een Nederlandse neiging internationale ontwikkelingen en standpunten van anderen in voor Nederland gunstige - maar daarom nog niet automatisch juiste - zin te interpreteren.

Maar in het licht van de werkelijke belangen die op het spel staan, of althans de waarde die anderen daaraan hechten, is de hele kwestie van Lubbers' mislukte kandidatuur natuurlijk een futiliteit. Minister Van Mierlo zou er daarom goed aan doen er niet langer over te griepen. Hij zou er de naam van een zeur van kunnen krijgen, en dat zou zeker niet in het Nederlands belang zijn.

Dit moet ter ere van Luns gezegd worden: na de mislukking van zijn Nieuw-Guineapolitiek heeft hij de Amerikanen nooit verweten hem in de steek te hebben gelaten. Zou hij wèl openlijk uiting zijn blijven geven aan zijn wrok, hij zou nooit, negen jaar later secretaris-generaal van de NAVO zijn geworden. Hij wist, als het erop aankwam, persoonlijke gepikeerdheid te scheiden van 's lands belang.

En de Amerikanen blijven vragen naar de “echte gronden” van hun afwijzing van Lubbers zou wel eens, als ze daaraan toegaven, niet in het belang van Lubbers kunnen zijn. Dus: zand erover.

    • J.L. Heldring