Onderwijs vergt meer dan visie

De snelle ontwikkeling van de samenleving maakt een nationaal onderwijsdebat hard nodig, vindt minister Ritzen. Dat is Ursie Lambrechts met hem eens, alleen moet zo'n debat wel gaan over concrete problemen, zoals geld en schoolfusies.

Trots kondigde minister Ritzen eind november een 'nationaal kennisdebat' aan. Hoewel aangenaam verrast, kon ik tegelijkertijd enige scepsis niet onderdrukken. Want waarom was dit opzienbarende voornemen niet tijdens de behandeling van de onderwijsbegroting bekendgemaakt? Nee, de minister deed zijn voorstel in Vlugschrift, een partijblad van de PvdA. Het is dus niet verwonderlijk dat alle onderwijswoordvoerders zich afvroegen hoe serieus ze dit voorstel moesten nemen. Daarom ook vroeg de Kamer uitleg aan de minister. De brief die we daarop ontvingen toont echter sporen van grote haast en doet vermoeden dat het debat, dat in maart van start moet gaan, weinig perspectief zal bieden voor de huidige problemen van het onderwijs.

Ongetwijfeld heeft Ritzen gelijk als hij stelt dat de samenleving van 2010 sterk zal afhangen van de kennisdimensie en het is mij ook duidelijk dat 'lifelong learning', zoals éducation permanente nu blijkbaar moet heten, van doorslaggevende betekenis is voor een succesvolle participatie. Dat is allemaal nog te begrijpen, waarschijnlijk omdat dat altijd zo is geweest.

Maar, als Ritzen zegt dat “economische kracht en sociaal gehalte van de samenleving afhangen van een kennis-infrastructuur die aanzet tot het ontwikkelen en benutten van nieuwe inzichten”, begint het me te duizelen. Bij “Cultuur en cultuur-uitingen zullen hierbij een belangrijke ondersteunende en voorwaardenscheppende rol vervullen” raak ik het spoor bijster. “Het is minder een kwestie van geld dan van mentaliteit en maatschappelijk commitment”, stelt de minister. Bijzonder slim, maar de vraag is wel waar maatschappelijk commitment anders uit zou moeten bestaan dan uit de bereidheid te investeren in onderwijs en kennis-infrastructuur. In Engeland heeft men dat in elk geval beter begrepen. Net als Nederland zakt Engeland gestaag op de ranglijst van OESO-landen als het gaat om investeringen in het onderwijs. Treffend merkte Tony Blair, nu nog leider van Harer Majesteits meest loyale oppositie, daarover op: “How can we expect to be first in economics, when we're last in class?”

Ook in ons Nederlandse onderwijs zijn er op dit moment enkele verontrustende ontwikkelingen waar te nemen, die niet als een griepje vanzelf zullen overgaan. Te grote klassen, verontrustende leerprestaties vooral op het gebied van taal en rekenen, een hoge uitstoot van leerlingen naar het speciaal onderwijs, een toenemend aantal drop-outs, een zorgwekkende afname in de belangstelling voor het beroepsonderwijs, een gebrek aan goed opgeleide vaklui en niet te vergeten een nog steeds groeiend aantal mensen in een wachtgeldregeling. De negatieve gevolgen voor onze economische ontwikkeling laten zich raden. Als de minister commitment wil bewerkstelligen zal het debat zich niet alleen mogen richten op Utopia in 2010, maar vooral moeten aansluiten bij de problemen van dit moment.

Het onderwijsdebat zal dan ook in de eerste plaats moeten gaan over de bekostiging van de scholen. Drie onderzoeksrapporten hebben aangetoond dat de rijksoverheid nog maar 70 procent van de exploitatiekosten van scholen vergoedt. Als de overheid niet in staat is nog meer te investeren in ons onderwijs, zijn er dan misschien bepaalde groeperingen in de samenleving die daartoe wèl bereid zijn? Vele ouders blijken grote bedragen over te hebben voor beter onderwijs. Dat zegt niet alleen iets over de financiële positie van die ouders, maar ook over de twijfel die velen van hen hebben over de kwaliteit van het onderwijs dat zonder ouderbijdragen tot stand komt. Het is de moeite waard hierover te debatteren, de ouderbijdrage in het verdomhoekje plaatsen lost het financiële probleem in elk geval niet op.

Als overheid noch ouders meer kunnen of willen investeren, is er altijd nog het bedrijfsleven. Uit welbegrepen eigenbelang heeft dat de weg naar de scholen al gevonden. In een onthutsend artikel van Wubby Luyendijk in het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant (24 november 1995) konden wij lezen dat daarvoor wel een prijs moet worden betaald: reclameborden op school, gratis lesmateriaal waarin produkten worden aangeprezen waarvan je als ouders hoopt dat je kind er nog even van afblijft, zelfs gratis gympen en jeans nu televisiereclame zijn effect heeft verloren. Zappen is niet meer mogelijk. Is dit het maatschappelijk commitment waar Ritzen op doelt? Het ergste wat ons zou kunnen gebeuren is dat de overheid uit geldgebrek lijdzaam toeziet hoe onze scholen langzaam veranderen in beroepsbedelaars, die net als onze musea elkaar beconcurreren op de sponsormarkt.

Verder zou het goed zijn als anderen dan besturenorganisaties en politici zich eens uitspreken over de dreigende herzuiling van het onderwijs. Ontwikkelingen als bestuurlijke schaalvergroting, lump-sum financiering en het 'Weer Samen Naar School'-akkoord over het terugdringen van het speciaal onderwijs, dreigen alle bij elkaar te leiden tot herzuiling. Wie zit daar eigenlijk op te wachten? De ouders en de leerlingen? Dat gelooft niemand meer. De meeste ouders zijn vooral geïnteresseerd in goed onderwijs dicht bij huis, op een prettige school waar hun kind met plezier naar toe gaat. Juist voor een kind dat onzeker is of licht gehandicapt, is het onwenselijk dat het eerst half Nederland wordt doorgesleept, voordat het aangepast onderwijs kan krijgen.

Een debat over ons onderwijs zal ook een debat moeten zijn over de bestuursstructuur van scholen, waarin zij dreigen kopje onder te gaan. Scholen krijgen straks te maken met allerlei instanties, die stuk voor stuk onderwijstaken hebben. Naast Rijk, provincie en gemeente zijn er talrijke bestuurlijke samenwerkingsverbanden, platforms, 'onderwijs-ondersteunende' instellingen en uitvoeringsorganisaties zoals het Participatiefonds (voor wachtgeld) en het Vervangingsfonds (voor ziektegeld). Functionele en territoriale decentralisatie lopen volledig door elkaar. Tot overmaat van ramp zijn taken en bevoegdheden niet helder afgebakend en is de controle niet goed geregeld. Voorkomen moet worden dat scholen straks hijgend van het ene overleg naar het andere hollen. Of, nog erger, dat scholen al het inhoudelijke overleg over moeten laten aan hun mega-besturen op afstand.

In het debat mag ook in geen geval worden voorbijgegaan aan de inhoud van het onderwijs. Welke kennis moeten onze kinderen verwerven en welke vaardigheden moet een kind nu leren om straks verder te komen? Mogen sommige vakken misschien een onsje zwaarder wegen dan andere? Onlangs bleek opnieuw dat er in het primair onderwijs grote verschillen bestaan tussen de prestaties van de scholen, en dat leerlingen van scholen die zich meer toeleggen op de basisvakken taal en rekenen beter scoren en minder vaak een achterstand oplopen. Waarom niet kiezen voor een kleiner basiscurriculum, misschien wel een nationaal curriculum, waarin meer aandacht wordt besteed aan vakken als taal en rekenen?

Wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs groeien steeds verder naar elkaar toe. Waarom zouden we dat krampachtig met wetgeving tegenhouden? Het HBO heeft behoefte aan wetenschappelijke masters-opleidingen en wijkt nu naar Engeland uit om dat mogelijk te maken. Universiteiten gaan driejarige opleidingen aanbieden die geschikt moeten zijn voor functies in het bedrijfsleven. Als nu ook nog wordt verwacht dat universiteiten meer gaan verwijzen naar hogescholen, zonder verlies van studieduur, ligt dan verdere integratie van beide typen hoger onderwijs niet voor de hand? Bij de Open Universiteit - mijns inziens het ideale instituut voor lifelong learning - blijkt het gelijktijdig aanbieden van meer beroepsgerichte en meer wetenschappelijk cursussen ook geen probleem.

Daarnaast bestaan er enkele mythen over ons onderwijs die zo hardnekkig zijn als de smog boven Los Angeles. Laat ik er een paar noemen: de mythe van de overscholing (alsof je ooit te veel zou kunnen leren), de mythe dat het beter is om in computers te investeren dan in leraren, en de mythe dat strengere selectie en het blokkeren van het 'stapelen' van studies besparingen opleveren. Waarachtig voldoende onderwerpen voor een nationaal debat. Maar dan wel een debat met een duidelijke inzet: het creëren van draagvlak voor noodzakelijke vernieuwingen en investeringen in de toekomst. Visie alleen is zo goedkoop.

Tot slot doet zich onvermijdelijk de vraag voor: hoe en met wie moet het onderwijsdebat worden gevoerd? Ritzen wil het op Internet doen. Briljant. Maar zelf denk ik niet in de eerste plaats aan dit nieuwe opium voor het volk. Ook al hebben veel onderwijsinstellingen een aansluiting, dan nog zullen de meeste netsurfers vermoedelijk niet verder komen dan de pagina's van het World Wide Web, of de voorkeur geven aan alt.sex.nl boven een discussiegroep over onderwijs. Laten we het gewoon lekker ouderwets doen via de discussiepagina's van dag- en weekbladen. En waarom zouden we ook geen gebruik maken van de telefoon, om eens een zeer toegankelijk 'oud' communicatiemiddel te noemen? Hoe dan ook, het lijkt zinvol om een breed samengestelde groep mensen het debat te laten vormgeven. In geen geval mag het debat zich beperken tot vakbladen en onderwijsspecialisten. Daarvoor is de toekomst van ons onderwijs te belangrijk.