Kunstcollecties op de veiling

ROTTERDAM, 9 JAN. Ze hebben destijds niet meer dan een paar gulden gekost, maar morgen zullen de oude tekeningen uit het bezit van de Britse kunsthistoricus Sir John Pope-Hennessy enkele tonnen opbrengen. Christie's veilt dan in New York de nalatenschap van 'the Pope', zoals de oud-directeur van het Victoria & Albert Museum en het British Museum in Londen vaak met ontzag werd genoemd.

Behalve deze stukken komen ook de bezittingen van twee andere vooraanstaande kunsthistorici morgen onder de hamer: Rudolf Wittkower (1901-1971), een Bernini-deskundige en oud-hoogleraar aan de Columbia Universiteit, en Richard Krautheimer (1897-1994), die onder de San Lorenzo in Rome niet alleen de fundamenten van een 4de-eeuwse christelijke kerk ontdekte, maar ook grondige kunsthistorische studies over Rome publiceerde.

Pope-Hennessy, zoon van een militair attaché en een literair begaafde moeder, is mede door zijn publicaties over Italiaanse renaissance-kunstenaars als Uccello, Fra Angelico, Raphael, Cellini en Donatello, de bekendste van de drie. Van jongsafaan wist hij met weinig geld een collectie op te bouwen van tekeningen, schilderijen, bronzen uit de renaissance en enkele 17de-eeuwse kabinetten, uitbundig gedecoreerd met ingelegd glaswerk. Voor tekeningen van onder anderen Giovanni di Paolo (1402-1483) en Domenico Beccafumi (1486-1551) betaalde hij als schooljongen twee of drie Britse ponden; de waarde van elk wordt nu geschat op twee tot drie ton. Ook doeken uit de barok waren in de jaren veertig impopulair, en dus razend goedkoop, en dat gold niet minder voor de bronzen, die bij uitdragerijen tussen het schroot vandaan werden gehaald.

Pas toen Pope-Hennessy in de jaren tachtig aan het Getty Museum in Malibu een doek van de Italiaanse kunstenaar Domenichino voor bijna twee miljoen gulden verkocht - hij had er in 1946 zelf 38 Britse ponden voor betaald - ging het hem financieel voor de wind. Inmiddels directeur van de afdeling Schilderkunst van het Metropolitan Museum in New York kon Pope-Hennessy zich ook duurdere aankopen permitteren - een tenhemelopneming van Maria, tegen een gouden achtergrond geschilderd door Pietro de Franceschi degli Oriolo (1458-96) -, die niet voor de museale collectie in aanmerking kwamen, en die morgen eveneens enkele tonnen moeten opbrengen.

Erfgenaam is Michael Mallon, een Amerikaanse kunsthistoricus, die 'the Pope' in de laatste jaren van zijn leven in Florence heeft bijgestaan. Mallon vertelt in de veilingcatalogus dat de nalatenschap verder nog vele laden vol vlinders en schelpen omvat, een verzameling waarmee Pope-Hennessy als kind was begonnen. Maar al op dertienjarige leeftijd stapte hij over op de tekeningen van Italiaanse oude meesters, vooral die uit Siena, waarop morgen in New York ongetwijfeld gretig zal worden geboden.