KAROLY GROSZ 1930-1996; Hongaarse Gorbatsjov

Károly Grósz, de laatste communistische leider van Hongarije, is gisteren in zijn woonplaats Göodllö nabij Boedapest overleden. Hij stierf, 65 jaar oud, aan leverkanker.

Grósz, geboren op 1 augustus 1930 in het industriële Miskolc in het oosten van Hongarije, stond wel bekend als de Gorbatsjov van Hongarije: hij miste weliswaar het charisma en de visie van Gorbatsjov, maar net als zijn Sovjet-collega transformeerde hij wel, nadat hij in 1987 premier was geworden, het politieke landschap. Hij bracht politieke en economische hervormingen op gang - Grósz was een groot bewonderaar van Margaret Thatcher, en zij bewonderde hem. Maar net als Gorbatsjov verkeek Grósz zich op de consequenties van zijn beleid. Toen de hervormingen uit de hand liepen en begonnen uit te lopen op een verandering van het sociale systeem in Hongarije, trachtte Grósz - vergeefs - het beleid in conservatieve zin bij te stellen en ging hij vervolgens tamelijk roemloos ten onder in de vloedgolf die hij zelf op gang had gebracht.

Grósz sloot zich al in een vroeg stadium aan bij de communisten. Hij werkte na de oorlog als drukker tot kort na de door de communisten op grote schaal vervalste verkiezingen van 1947 en maakte daarna snel carrière binnen de partij. Hij werd hoofdredacteur en partij-apparatsjik in Miskolc, vervulde vervolgens partijfuncties in Boedapest en werkte van 1962 tot 1968 als partijsecretaris bij de staatsradio en -televisie. Daarna klom hij op tot plaatsvervangend hoofd van de afdeling propaganda van de partij. In 1980 werd hij lid van het Centraal Comité en vijf jaar later zat hij in het politburo.

In 1987 werd Grósz premier. Enerzijds gold Grósz als een beschermeling van partijchef Kádár. Hij werd geacht diens beslissingen met de nodige daadkracht ten uitvoer te leggen. Anderzijds had hij zich in de jaren tachtig ook geprofileerd als een mogelijke rivaal van Kádár, die hem waarschijnlijk vooral heeft benoemd in de hoop dat Grósz zich zou vastlopen en aldus als rivaal van het politieke toneel zou verdwijnen.

Kádár verkeek zich op Grósz. Die nam het roer heel wat steviger in handen dan de partijchef lief was en keerde zich na een jaar tegen zijn allengs conservatievere beschermheer: tijdens een partijconferentie greep hij in mei 1988 de macht en schoof hij Kádár aan de kant. De coup maakte een eind aan het tijdperk-Kádár, dat in 1956 was begonnen met het neerslaan van de Hongaarse opstand. Grósz werd zelf partijleider. Het premierschap liet hij op zijn beurt over aan een beschermeling: Károly Németh.

In het daarop volgende jaar democratiseerde Grósz de Hongaarse politiek en bracht hij economische hervormingen op gang, met name door de privatisering te stimuleren. Maar lang heeft zijn bewind niet geduurd. De hervormingen gingen te snel voor Grósz: hij bereikte al snel de grenzen van zijn ideologische flexibiliteit en werd prompt ingehaald door de ontwikkelingen die hij zelf op gang had gebracht. Andere leiders traden op de voorgrond, sociaal-democratisch eerder dan communistisch georiënteerde leiders die verder wilden gaan dan de uiteindelijk toch te conservatieve communist Grósz. In de lente van 1989 moest Grósz drie anderen naast zich dulden in de leiding van de partij: die werd voortaan geleid door een kwartet, waarvan Grósz slechts een van de leden was. En, zo bleek al snel, de minst uitgesproken: de drie anderen, Rezsö Nyers, premier Károly Nemeth en vooral Imre Pozsgay, stalen de show en verwezen Grósz naar de zijlijn. Zij, en hun minister van buitenlandse zaken Gyula Horn, namen de beslissingen die in 1989 leidden tot de val van het socialisme: die over de herbegrafenis van Imre Nagy bijvoorbeeld, en de opening van de grens met Oostenrijk voor de Oostduitsers die in de zomer hun toevlucht hadden genomen in de Westduitse ambassade in Boedapest.

Formeel bleef Grósz partijleider tot het partijcongres van oktober 1989, waarbij de Hongaarse Socialistische Arbeiderspartij, de communistische partij van Kadar en Grósz, zich transformeerde tot de sociaal-democratische Hongaarse Socialistische Partij die niets meer met het oude communisme te maken wilde hebben en die nu, onder leiding van Gyula Horn, Hongarije regeert.

Tot die partij voelde Károly Grósz zich geenszins aangetrokken: hij is altijd communist geweest en het ook na 1989 gebleven. In een vraaggesprek in februari vorig jaar bestempelde hij zichzelf als “marxist, maar geen leninist”.

    • Peter Michielsen