Industriebond FNV trekt een grens voor korter werken

ROTTERDAM, 9 JAN. Voor de Industriebond FNV zijn de grenzen van de collectieve arbeidsduurverkorting in zicht gekomen. Een werkweek van 36 uur is als norm haalbaar, maar daarna moet het afgelopen zijn, zo zei voorzitter Bé van der Weg gisteren. Van der Weg schippert tussen het idealistische streven van de vakcentrale FNV naar een 32-urige werkweek en de angst van de werkgevers in de industrie dat ze met een werkweek van 36 uur op een hellend vlak terecht komen. Door verdere arbeidsduurverkorting publiekelijk af te zweren, poogt Van der Weg het korter werken het komend CAO-seizoen bespreekbaar te maken.

Arbeidsduurverkorting is in de industrie een gevoelig onderwerp. Terwijl bij voorbeeld de werkgevers in de bankensector de kortere werkweek als reëel middel accepteren om overtollige werknemers te kunnen herplaatsen, hebben enkele prominente kopstukken aan het industriële werkgeversfront hun hakken krachtig in het zand gezet. Philips-topman Timmer ontstak eind vorig jaar in woede toen hij hoorde dat de Industriebond FNV bij Philips in 1996 wilde inzetten op een 36-urige werkweek. In plaats van korter werken zouden Nederlandse werknemers juist langer aanwezig moeten blijven, zo stelde hij. Ook voorzitter J. van den Akker van de FME, de werkgeversvereniging in de metaalsector, laat regelmatig weten dat een 36-urige werkweek als norm voor hem niet bespreekbaar is.

Maar niet alleen de werkgevers staan afwijzend tegenover een massale verdere verkorting van de werkweek. Onder de eigen achterban kampt de Industriebond eveneens met tegenstanders van de 36-urige werkweek. Dat is niet onbegrijpelijk, omdat bij deze bond de (overwegend mannelijke) leden vaak nog de traditionele rol van kostwinner vervullen. Van der Weg beklemtoonde gisteren in zijn nieuwjaarsspeech dat dit een aanzienlijke groep betreft. “We hebben als bond ook te denken aan al die werknemers die in hun eentje de kost moeten verdienen. Dan hebben we het over 40 procent van onze leden”, aldus de bondsvoorzitter.

Dat veel leden weinig animo vertonen voor de inzet op een kortere werkweek hangt ook samen met het grote aantal werknemers in ploegendienst. Ongeveer twintig procent van de werknemers in de industrie werkt in ploegen, met een werkweek die meestal al ruim onder de 36 uur ligt. Voor deze werknemers is arbeidsduurverkorting in ruil voor gematigde looneisen een onaantrekkelijk perspectief.

De bodem die de Industriebond nu onder de arbeidsduurverkorting heeft gelegd, wordt door de andere FNV-bonden niet gedeeld. De AbvaKabo, die vorig jaar voor alle ambtenaren een 36-urige werkweek binnenhaalde, houdt vast aan de lijn dat dit resultaat een tussenstap is, op weg naar de werkweek van 32 uur. “Dat streven hebben we op papier staan en dat dragen we bij CAO-onderhandelingen ook actief uit”, zegt een woordvoerster. Ook de Bouw- en Houtbond FNV (die evenals de Industriebond nog veel traditionele kostwinners onder de leden telt) staat onverkort achter het gezamenlijke FNV-streven naar verdere arbeidsduurverkorting. Dat zal wel stapsgewijs gaan, zegt voorzitter R. de Vries. De bouw-CAO kent al een 36-urige werkweek; bij de volgende onderhandelingen zal ingezet worden op een werkweek van 35 uur. “Waarom zou ik me nu al druk maken over hoe de situatie er over tien jaar uitziet?”, aldus De Vries.

Bij de Industriebond CNV, de christelijke zusterorganisatie, ziet men al evenmin problemen met het streven naar een 32-urige werkweek. Bondsvoorzitter D. Terpstra heeft vorig jaar verschillende malen gepleit voor verdere arbeidsduurverkorting, als middel om beschikbare arbeid beter te verdelen en tegelijkertijd tegemoet te komen aan persoonlijke wensen van werknemers - bij voorbeeld om meer tijd aan de kinderen of hobby's te kunnen besteden.

De top van de Industriebond FNV heeft er voor gekozen om zowel naar de eigen leden als naar de werkgevers duidelijk vast te leggen dat realisme prevaleert boven idealisme, een taktiek die de bond bij Akzo Nobel een 36-urige werkweek opleverde. Nu probeert de bondsleiding de scherpe kantjes te halen van de komende CAO-onderhandelingen bij Philips en de metaalsector. Als de werkgevers dat niet oppikken, vreest Van der Weg voor een rituele en conflictueuze onderhandelingsdans, met als resultaat een “akkoord met alleen verliezers”.

    • Marcella Breedeveld