In de kantine van Gierike

Jerevan. Als de elektriciteit allang weer is uitgevallen, als het nog aartsdonker is, als de lucht op sneeuwen staat, als de eerste schimmen kleumend en stampvoetend naar hun werk trekken, als deze slapende Armeense hoofdstad langzaam begint te bewegen, op dat uur begint Gierike met haar werk.

Gierike is de kantinejuffrouw van het polytechnisch instituut van de Universiteit van Jerevan, ze is ongeveer vijftig jaar oud, haar man is overleden, ze heeft twee kinderen en vier kleinkinderen, ze verdient zeven en een halve dollar per maand, en ze regeert over haar studenten als een kloek.

Ze steekt een olielampje aan, dan veegt ze de bruine tafels af, ze stoft de weegschaal voor onduidelijke voorwerpen en de drie kleine samovars, ze wast de glazen en de kopjes, ze stalt acht chocoladerepen uit, ze maakt ruzie met de vrouw die de kaasbroodjes komt brengen, ze bezemt de vloer, en dan is het wachten. Het is acht uur. De grote samovar staat stil en koud te glanzen: zonder stroom kan hij niks doen. Een enkele student komt binnen voor een broodje. Maar dan, om tien uur, flitst opeens het peertje aan het plafond op, rond de tafels ontstaat een vrolijk gemurmel, het lijkt zelfs iets minder koud te worden nu de smovar gaat gloeien, en dan opeens is er thee, en de dag kan beginnen.

De kantine van Gierike is een universiteitskantine als alle andere kantines, waar ook ter wereld. De thee kost zonder suiker 8 cent, met suiker 20 cent. Er worden collegediktaten overgeschreven, examenvragen uitgewisseld, er wordt gehangen, gelachen en geflirt, en iedereen is verslaafd aan 'Santa Barbara'. Accu's, zonnecollectoren, niets is te dol om geen aflevering van deze soap te missen, en wie de pech had dat zijn buurt halverwege de uitzending toch werd afgesloten wordt de volgende ochtend uitvoerig door de anderen bijgepraat.

Het bijzondere van de kantine van Gierike is vooral de stad die eromheen ligt. Het is een stad die tot voor kort doorging voor een van de modernste en elegantste steden van de voormalige Sovjet-Unie, en die binnen amper zes jaar tijd tot een totale armoede is vervallen. Het is het voorbeeld van een stad als Utrecht - maar dan vier keer zo groot -, waar opeens bijna letterlijk de stekker uit het stopcontakt is getrokken. In het Overvecht van Jerevan lopen kuddes schapen tussen de flats, op de balkons worden kippen gehouden, uit veel keukenramen steken de pijpen van ruw gelaste noodkacheltjes - zelfs de modernste gebouwen zitten vol roetvegen - en bij de Croeselaan grazen koeien. Het is één groot roestmuseum, deze stad, er is niets wat niet is gebroken, gedeukt, kapot of doorgeroest. Elektriciteit is er slechts een paar uur per dag, en in de keukens staan fornuizen, afzuigkappen en ijskasten er bij als stille monumenten: zo hebben wij ooit, in een onbegrijpelijk ver verleden, ook geleefd.

Wie een paar dagen in de kantine van Gierike doorbrengt leert er al snel de vaste klanten kennen. Zonna bijvoorbeeld, het mooiste meisje van de kantine, altijd vrolijk, altijd met iets nieuws: een gek hoedje, of een paar uitbundige oorbellen. “Ik wil later de hele wereld rond”, zegt ze. Haar voornaamste uitje bestaat uit wandelen bij de vijver, de enige plek in de stad waar 's avonds nog straatverlichting brandt. Of Sergei, een werkloze architekt, die alle ellende van Armenië ziet als een groot plan, van de Russen, de Engelsen, de Amerikanen, van God weet wie. Of Rida, die een goede gooi zou doen bij het wereldkampioenschap LAT-relaties: zijn vriendin woont in Peking, en zelfs de post tussen Peking en Jerevan werkt nauwelijks, om van de rest maar te zwijgen. Ze horen ons uit over het Westen: “Mag een vrouw bij jullie voor haar huwelijk met iedereen uit wandelen gaan? Er verschijnt een schaal met warme aardappelflappen op tafel. “Je bent een schatje, je bent een lieverdje”, roepen ze tegen Gierike.

De meeste studenten zijn allang aan dit bestaan gewend, ze doen er niet zielig over, al herinneren ze zich allemaal nog precies het moment waarop het begon: zo'n tien jaar geleden, nog volop in de Sovjettijd, toen op een dag opeens in de hele stad geen boter meer te koop was. Nog geen week later stonden de eerste rijen voor de winkels. Daarna kwam de afscheiding van de Sovjet-Unie, de oorlog met de Azeris, er kwam een aarbeving, vluchtelingen, de olie- en gasleidingen werden opgeblazen, de voormalige afzetmarkten vielen weg, de fabrieken gingen dicht, en alles klapte ineen. Er is geen student in deze kantine, of hij heeft wel een vriend of een geliefde in deze chaos verloren. Maar als we praten over de toekomst is iedereen optimistisch: het kan zo niet eeuwig doorgaan. En bovendien: er rijden toch alweer meer auto's op straat dan vorig jaar? En we hebben toch de laatste maanden steeds vaker elektriciteit?

Iedere generatie Armeniërs heeft zijn eigen ramp overleefd - een genocide, Stalin, de Turken, een aardbeving, een economische crash - en zo zal het nu weer gaan. En een deel van hun geheim schuilt in de overtuiging dat pessimisme het eind van alle leven betekent: dan is het leven alleen nog maar bestaan.

Op een schemerige namiddag waren we gaan kijken naar de oude kerncentrale die even buiten Jerevan staat en die de afgelopen twee maanden, ondanks alle protesten van het buitenland, langzaam weer is gestart. Jarenlang was het een tantaluskwelling: geen elektriciteit maar wel een - zij het levensgevaarlijke - centrale. Jarenlang hadden de Armeniërs zich groot gehouden. Maar het afgelopen najaar waren ze bezweken.

Er was een groot hek, er stonden wachtposten, er liep een hond met een manke poot, er reed een officier van het terrein af met een personenauto vol brandhout, en verder was het er even roestig als in de rest van de stad. Aan de voet van het enorme complex woonde een varkenshoeder en zijn vrouw. Nee, bang was hij niet meer. Hij was er juist met opzet gaan wonen, sinds kort, omdat er zoveel licht was, veel beter dan in zijn oude dorp. De dunne rook van de schoorstenen tekende zich af tegen de avondlucht. Volgens degenen die het weten kunnen is de centrale bijna net zo gammel als die van Tsjernobyl, en bovendien staat het in een berucht aardbevingsgebied.

We vragen onze vrienden in de kantine naar deze tijdbom, maar ze zeggen dat ze over dat soort dingen allang niet meer discussiëren. Zelfs de grootste tegenstanders zwijgen nu. Er is zo langzamerhand nog maar één ding waar alles om draait in Gierikes kantine: eerder thee, en meer Santa Barbara.

    • Geert Mak