Frankrijk zoekt naar woorden in rouw om staatsman

PARIJS, 9 JAN. Frankrijk was er op voorbereid, François Mitterrand was sinds 1992 zwaar ziek, maar toch zoekt het land naar woorden. Daarmee erkennen vriend en vijand dat hij meer was dan een politiek fenomeen waar men voor of tegen is.

“De geschiedenis bakt ons een poets”, schrijft Alain Peyrefitte, oud-minister van generaal De Gaulle. “Zij zal erkennen dat François Mitterrand als president de blijvende rol van de Vijfde (door De Gaulle gestichte, red.) Republiek heeft zeker gesteld, terwijl hij tegenstander was geweest van die staatsorde en haar zelfs te vuur en te zwaard had bestreden.”

Het boeiendst zijn de woorden van zijn tegenstanders. Die recensies zeggen het meest over Mitterrands lange en veelzijdige leven als politicus, die van uiterst rechts opschoof naar links, om met de communisten de regeermacht te grijpen en ergens boven de partijen te eindigen. Het minst verrassen de woorden van zijn laatste getrouwen, de niet bijzonder-socialistische medewerkers en ministers die niet teleurgesteld in hem raakten. Zij spreken over “Mitterrands liefde voor Frankrijk en de Fransen” (Jean-Louis Bianco, secretaris-generaal van het Elysée en later minister.)

Peyrefitte schrijft vanmorgen in Le Figaro, de krant die alles weerspiegelt wat tegen Mitterrand is, en desondanks met een dikke bijlage komt. “François Mitterrand heeft zich in de Grondwet gehuld en daarmee de mogelijkheden gelegitimeerd die hij eerder zo veroordeeld had”, aldus Peyrefitte, wijzend op het door De Gaulle gewilde recht voor het staatshoofd per ordonnantie te regeren in geval het parlement de wetgeving te veel ophield.

Ook de schrijver Jean d'Ormesson, gaullist en lid van de Académie Française, moet erkennen dat hij geroerd is: “Wie had in 1981, toen Mitterrand die ik zo had bestreden, werd gekozen, kunnen voorspellen dat zijn dood me verdriet zou doen? Door het al die jaren tegen hem op te nemen ben ik hem uiteindelijk gaan begrijpen. Op den duur ben ik van hem gaan houden.”

De meest opvallende afwezige tijdens de urenlange debatten op alle Franse radio- en televisiezenders was de man die theoretisch erfgenaam is van Mitterrands erfgoed als leider der socialisten: Lionel Jospin. Gistermorgen liet hij zich vervangen door de partijwoordvoerder, François Hollande, die een eerste reactie gaf op de dood van de man die in mei na zijn afscheid nog rozen in ontvangst nam voor het partijkantoor. Gistermiddag legde Jospin één verklaring af voor alle media, keurig, lovend, maar trouw aan de lijn die hij tijdens zijn bijna succesvolle verkiezingscampagne volgde: zich op geen enkele wijze emotioneel-politiek verbinden aan de man die de relatieve wederopstanding van de socialisten in Frankrijk heeft mogelijk gemaakt.

Een andere witte plek in het portret dat de Franse natie bezig is te schetsen van zijn overleden staatshoofd is opnieuw de tweede wereldoorlog. Bijna nergens wordt vermeld hoe zijn traditioneel katholieke jeugd hem in de armen dreef van bewegingen die opgingen in het Franse regime van Vichy, dat anti-joods en anti-democratisch was. Geen verwijzing van de weeromstuit naar Mitterrands claim op een tijdige overgang naar het verzet, noch naar zijn naoorlogse jaren waarin hij tot het einde toe bescherming - praktisch of moreel - verleende aan de laatste twee grote Franse medeplichtigen René Bousquet (vermoord in 1993) en Maurice Papon, wiens proces nog steeds moet beginnen.

Het meest ontroerend was misschien de beschrijving van Mitterrands laatste feestdagen, kerstmis in Egypte, oudjaar in zijn buitenhuis in Latché, in Les Landes, voorbij Bordeaux. Danielle, zijn vrouw, een zwager en schoonzuster, enkele andere familieleden en de vaste kring vrienden, zaten 31 december voor een laatste avondmaal bijeen. Jack Lang was erbij, Pierre Bergé (die de Opeéra Bastille opzette en directeur is van modehuis Yves Saint-Laurent), Henri Emmanuelli, de onlangs afgetreden eerst man van de socialisten, Georges-Marc Benhamou, een jongere strijdmakker.

Bergé: “We deden zo goed mogelijk ons best gewone gesprekken te voeren. Niemand vroeg hem iets, niemand wilde hem irriteren. Hij was zo ongelooflijk moe. Af en toe vroeg hij iets, lachte mee, op het goede moment. Hij kon niet meer opblijven tot middernacht. Hij trok zich eerder terug, nadat hij ons allemaal een goed Nieuwjaar had gewenst. We hadden allemaal het gevoel dat hij toen afscheid van ons nam.”

    • Marc Chavannes