De schedel van een oud-collega

Colón, de immense begraafplaats, is een oase van rust in de drukke metropool Havana. Elders in de stad produceren de ouderwetse auto's, bussen en vrachtwagens zwarte rookpluimen die de Cubaanse hoofdstad onder een verstikkende deken leggen. Op de asfaltwegen die de begraafplaats doorkruisen, rijden slechts fietsen, een enkele taxi met toeristen, begrafenisauto's met volgwagens en de tractor van de werklui die tussen de doden hun brood verdienen. Hier heerst diepe vrede.

Colón beschikt over indrukwekkende monumenten, kolossale tomben en grafstenen en is qua grandeur vergelijkbaar met Père Lachaise, de heuvelachtige begraafplaats in Parijs. Belangrijk verschil is dat op de dodenakker in Havana de dood bijna tastbaar is. In elk geval geldt dat voor restanten van veel lichamen die er begraven zijn.

Colón, Spaans voor Columbus, is een terugkerende hoofdrolspeler in films van de Cubaanse regisseur Tomás Gutiérrez Alea. Hij brak enkele jaren geleden tot ver over de landsgrens door met Fresa y Chocolate, over homoseksualiteit op Cuba, een macho-bolwerk in de Caraibische Zee. In de slotscène van zijn film die onlangs in Havana in première ging, GuanTanamera, vormt Colón het decor. Een van zijn eerste films, De dood van een bureaucraat (1961), speelt zich vrijwel geheel op de begraafplaats af. Deze zwart-witfilm volgt de verwikkelingen rond een overleden man, wiens vrouw een aanvraag indient om het graf van haar zojuist begraven man te mogen openen. Want als ze bij de sociale dienst een uitkering wil ophalen, moet ze het bewijs kunnen overleggen dat haar man gewerkt heeft. En dat is met hem begraven. Wanneer dit meer bureaucratische voeten in de aarde blijkt te hebben dan verwacht, trekken familieleden er midden in de nacht op de begraafplaats op uit om de kist, illegaal, te openen. Als ze de kist niet openkrijgen, besluiten ze hem op een kar te laden en mee naar huis te nemen. En zo gaat het nog een uur lang door.

Colón anno 1995 kent een aantal lege graven. Soms met het zware stenen deksel schuin bovenop, een enkele keer zonder deksel. Wie goed kijkt, ontwaart menselijke beenderen. Soms bevinden de lege graven zich als kleine bouwputten in open ruïnes, waar je goed moet opletten waar je loopt om te voorkomen dat je erin valt. Wellicht heeft het fenomeen van de lege graven ermee te maken dat een lichaam in een niet-gekocht graf na drie jaar moet worden leeggemaakt. Dat is een taak voor de familie, vertelt een Cubaanse vriendin, een klus die met veel verdriet gepaard gaat.

Beroepsdeformatie brengt me in de kelder van een grafmonument dat voor de revolutie voor verslaggevers uit Havana werd gebouwd. Op de hoek van de Calle J en Calle 14. Het beroep van journalist moet er destijds veel aanzien hebben genoten. De piramide-vormige glazen structuur die de kelder overdekt, wordt duidelijk niet onderhouden. Scherven liggen overal, de glazen deur laat zich niet sluiten, onkruid overwoekert de trappen bij de ingang. Trap naar beneden. Vierkante gaten in de muur, afdekplaten er voor, met de namen van de 'reporters of Havana' erop geschreven. Op de vloer, die de afmetingen van een bovenmodale Nederlandse huiskamer heeft, ligt een schedel. Zomaar. Waarschijnlijk van een oud-collega. Bizar; een deel van de schedel ontbreekt. Wellicht weggezaagd bij een lijkschouwing, zoals een gigantische punt uit een stuk taart, in een hoek van 90 graden. De plek waar de eenzame schedel rust, is te donker om met mijn camera-zonder-flitser te fotografen, zelfs na een heiligschennende verplaatsing naar een brede zonnestraal die zich in de krochten van het monument heeft weten te boren.

In de gedachte dat het toch niet veel gekker kan worden loop ik een paar dagen laten het reusachtige monument voor de slachtoffers van de oorlog in Angola binnen. De sjofel geklede man die al sinds 1950 op Colón werkt en een niet-officiële rondleiding in dit deel van de begraafplaats verzorgt, vertelt over de jongens en mannen die hier begraven liggen. De meesten sneuvelden in Angola, in de jaren tachtig. Ook zij liggen in houten kisten, in honderden compartimenten die in de wanden gemetseld zijn. “Hier liggen de generaals.” De sterren en strepen liggen bij elkaar; elke vorm van voorkeursbehandeling ontbreekt. De ruimte die ze ter beschikking hebben is even groot als die van de gewone jongens. En ze zijn net zo dood als hun ondergeschikten.

Twee metselaars zijn druk bezig om de honderden vakken af te dekken met een marmeren voorzetstuk. Waar ze dat al hebben gedaan, staat een nummer op de vierkante platen geschreven. Op de plaatsen waar ze hun geestdodende werk nog moeten doen, is een kistje van misschien vijftig centimeter lang, dertig hoog en dertig breed te zien. Op de voorkant een naam, een geboortedatum en de dag waarop de dood aanklopte. De kier boven de kistjes is in veel gevallen groot genoeg om te zien wat er in zit. Botten en beenderen. Met wit poeder ertussen; ongebluste kalk. De gids laat zijn rechterhand in de kist van een onbekende soldaat verdwijnen, rommelt erin als een kind in een grabbelton en komt tevoorschijn met een schedel. Hij beseft dat het niet zo netjes is wat hij doet, want hij vraagt nadrukkelijk het tafereel niet te fotograferen. Als een andere toeschouwer op het punt staat om flauw te vallen, stopt hij de schedel terug bij de rest van het gefragmenteerde skelet. Bij een kraan met een grote watertank spoelt hij de kalk van zijn handen. Ik geef hem een hand en bedank hem voor een leerzame rondleiding. “Graag gedaan.”

    • Ward op den Brouw