Critici

Een literair criticus heeft een comfortabele positie. Hij hoeft niet de waarheid te schrijven, hij hoeft het boek niet begrepen te hebben, hij kan een oordeel uitspreken over een boek waarmee hij geen enkele affiniteit heeft - zonder te worden tegengesproken, hij heeft doorgaans het laatste woord. Zijn mening wordt hooguit betwist door hen die het onderhavige boek wel gelezen hebben, gewaardeerd of zelfs bewonderd, maar dat een criticus achteraf voor zijn slordigheid of desinteresse op de vingers getikt wordt is een zeldzaamheid. Doordat deze controle ontbreekt, komen je nogal 's recensies onder ogen die beter niet geschreven hadden kunnen zijn. Het is alsof de criticus boeken bespreekt die hij zelf niet heeft uitgekozen; de tegenzin die daaruit voortspruit zou hij vervolgens verhalen op het boek dat hij bespreekt.

Zo schreef enige tijd geleden Liesbeth Koenen in de krant wat haar tegenstond in De metaforenmachine van Douwe Draaisma: dat het te zichtbaar een omwerking was van zijn proefschrift Metaforen van het geheugen; dat de Engelse citaten niet vertaald waren; dat hij moeilijke woorden gebruikte die hij niet uitlegde (ze noemt vijf voorbeelden); dat hij wel beschreef hoe en waarom bepaalde metaforen tot leven komen, maar niet waarom ze dood gaan; dat het een heel karwei was het boek te lezen en was ze, op grond van het bovenstaande, van mening dat Draaisma zijn proefschrift beter door een ander had kunnen laten herschrijven.

Draaisma was, als elke schrijver, niet in de positie op dit soort aantijgingen in te gaan. Laat ik het dan alsnog maar doen. Ik ben 't met Koenen eens dat in een Nederlands boek niet alleen Finse en Bulgaarse, maar óók Engelse citaten vertaald dienen te worden (behalve als het bon mots zijn). Voor de rest is wat zij te berde bracht onzin. Ik heb het hele boek gelezen en ben, terwijl ik niet eens psycholoog ben, nauwelijks een moeilijk woord tegengekomen dat ik niet door het zakenregister te raadplegen of anderszins na te denken kon begrijpen. Van de vijf voorbeelden die Koenen noemde zijn er vier onterecht. Ook waar ze de nadagen van een metafoor beschreven wilde zien sloeg ze de plank mis. Van de twee metaforen naar wier doodsoorzaak ik benieuwd was (hologram, computer) kreeg ik de autopsie glashelder uitgelegd. Ik had het boek sneller uit dan ik doorgaans een roman uit heb, het was allerminst een karwei. Het verhaal rond de opkomst van de fotografie is ronduit spannend, rode oortjes. Koenen kan het niet gelezen hebben zonder dit toe te geven. Ik vermoed daarom dat ze, al bladerend, het over 't hoofd heeft gezien.

Als ze tenslotte suggereert dat Draaisma zijn proefschrift beter door een ander had kunnen laten herschrijven, lijkt dat geestig bedoeld te zijn, - ik vind het meer een pijnlijke vergissing. Draaisma behoort tot het kleine gilde der wetenschappers met een gouden pen. Hij zou andermans boeken moeten herschrijven, en hij is écht geestig. Maar om dat te beamen moet je zijn werk gelezen hebben.

En zo ziet u, argeloze lezer: boeken - de een vindt er dit van, de ander dat. De meeste recensies wekken, door gebrek aan eigen vonken, de indruk in een uurtje geschreven te zijn. Daarom: het is fout dat de eerste de beste criticus altijd meteen het laatste woord heeft. In veel gevallen zou ik een contra-expertise gewenst vinden. A second opinion. En dan de voorkeur geven aan die opinie waaruit de sterkste affiniteit met het besproken werk blijkt - positief of negatief.

Slechte ervaringen heb ik ook met de ontvangst van mijn eigen werk. Zo is mijn laatste essaybundel besproken onder andere door een criticus die de indruk wekte dit bepaald niet voor z'n plezier te doen en nogal uitweidde over het feit dat hijzelf persoonlijk een talenknobbel had en geen wiskundeknobbel. Deze oubollige tweedeling bracht hem ertoe te schrijven, dat hij niet begreep wat mij ertoe gebracht had die essays überhaupt te schrijven. Nee, dat begrijp ik. Daarom had hij het boek moeten teruggeven aan degene van wie hij het had meegekregen, de 'chef literatuur'. Die had daaruit kunnen leren dat je boeken ter recensie meegeeft aan degenen die ze kunnen lezen.

Ieder z'n vak. Ook de criticus. Dus niet: doen alsof je overal zomaar verstand van hebt. Of, nog erger (de alfakwaal): koketteren met het feit dat je verstandelijk tekort schiet.