Architect Kas Oosterhuis ontwierp zachtgroene overstortplaats in Twente; Afval onder uitwaaierend aluminium

Gebouw: Afvaloverstortplaats, Zenderen. Architect: Kas Oosterhuis. Opdrachtgever: Regio Twente. Bouwkosten: 7,2 miljoen. Ontwerp: 1993. Oplevering: 1995.

Zelfs de meest prozaïsche functies als afvalverwerking en -zuivering kunnen aanleiding zijn tot hoogstaande architectuur. Eind jaren vijftig ontwierp Wim Quist op de Berenplaat een zuiveringsinstallatie voor drinkwater die alom is geprezen om zijn minimalistische schoonheid; kort geleden ontwierp de Rotterdamse gemeente-architect Maarten Struijs een mooie zilverglanzende huls voor een installatie voor rookgasreiniging bij de Maastunnel. En nu is er de afvaloverstortplaats van de Rotterdamse architect Kas Oosterhuis, een 160 meter lang, zachtgroen gebouw bij het dorp Zenderen, tussen Almelo en Borne.

Zo'n overstortplaats bestaat uit drie elementen: een paar kantoren, de hal waar het binnengebrachte afval wordt gesorteerd en overgeladen op vrachtwagens die het naar de afvalberg brengen, en een zuiveringsinstallatie voor het water dat uit die berg sijpelt en in buizen wordt opgevangen. Normaliter zijn deze drie functies gescheiden, maar Oosterhuis heeft ze hier in één sculpturaal lichaam gevangen. Het is duidelijk te zien dat dit niet vanuit het platte vlak van de plattegrond is bedacht, maar dankzij de beeldende mogelijkheden van de computer, als een kneedbaar, vloeibaar volume in drie dimensies. Bij het begin van het ontwerpproces heeft de architect dan ook nauw samengewerkt met twee beeldende kunstenaars, Leo Donkersloot en Ilona Lénard, die beiden evenzeer met de computer vertrouwd zijn. De inbreng van de beeldende kunst zal nog veel groter zijn in het volgende project van Oosterhuis en Lénard, dat nu wordt gebouwd: het 'Waterpaviljoen' op het werkeiland Neeltje Jans van de Deltawerken.

Oosterhuis neemt nadrukkelijk afstand van het credo: form follows function. Vorm en inhoud staan naar zijn mening geheel los van elkaar. Het gebouw in Zenderen - eigenlijk vooral een hal - heeft een bijzondere vorm die je organisch zou kunnen noemen, bij gebrek aan een beter woord voor alles wat niet-rechthoekig en -lijnig is. Die vorm, die iets weg heeft van een zachtgekookt ei - of van een oester, of van een walvis met baleinen, of zelfs van een kruimeldief! - is een combinatie van twee ellipsoïden, een in de lengte en een in de breedte. Oosterhuis vergelijkt het zelf met een lichaam: een intelligente kop (de kantoren), een romp (de hal) en een staart (de 'percolator' die aan de achterkant in een eenvoudige zwarte doos is ondergebracht).

De 'kantorendoos', met een schuine pui van aluminium, helder glas en matglas, is aan de voorkant ingeschoven. De 'weegbaas' die de papieren van de binnenkomende vrachtwagens controleert, zit niet zoals anders in een hokje op de vluchtheuvel, maar als een portier achter slagvast glas in een loge in het gebouw zelf. In het begin wekte dat verwarring bij de chauffeurs: was die chique hoofdingang wel voor hun bedoeld? Het samenbrengen van de drie functies in één gebouw was behalve een kunstzinnige beslissing, ook een sociale: het personeel heeft nu veel meer contact onderling.

Het geheel - begrippen als 'dak' en 'wand' bieden hier weinig houvast - is bekleed met zachtgroene geribbelde aluminium platen, die uitwaaieren boven de mooi gebogen stalen luifel boven de hoofdingang. De combinatie van die bijna dierlijke luifel, schuine pui en geribbelde bekleding herinnert aan het baanbrekende bedrijfsgebouw in Amersfoort van Ben van Berkel; Oosterhuis gaat nu een stap verder, zowel in de manier van ontwerpen als in de uiteindelijke verschijningsvorm.

In de lengte is een deel van de ellips 'afgeschaafd' om plaats te maken voor deels kunststoffen ramen, deels lamellen die licht en ventilatie doorlaten in de vaak stoffige hal. Aan de achterkant, waar de hal grotendeels onoverdekt is, is te zien dat de bekleding als het ware los is gedrapeerd over de metalen spanten, die aan een omgekeerd schip doen denken. De spanten - die oorspronkelijk van hout hadden zullen zijn - staan weliswaar op regelmatige afstanden, maar aangezien het gebouw smaller wordt naar de ingang toe zijn er geen twee gelijk. Tussen de achtergevel en het dak is een smalle strook vrijgelaten waar doorheen het daglicht zichtbaar is - een van de kleine, maar belangrijke details die helpen voorkomen dat het gebouw plomp wordt.

Zoals gezegd, dit ontwerp is niet bedacht als een plattegrond maar als een autonome volume. Door de bolle wanden is er dan ook veel loze ruimte. Dat is goed te zien in de loge van de weegbaas: zijn zijraam is wel een meter diep in de gevel verzonken. Ondanks deze 'overmaat' is de opdrachtgever het ontwerp met overtuiging blijven steunen. Voor de aannemer was dit ook een moeilijk klus: door de vrijgevochten draaiende vormen kon bijna niets op de traditionele manier worden gemeten, en veel oplossingen moesten ter plekke worden bedacht. De afwerking is dan ook soms zichtbaar moeizaam.

Over ongeveer vijftien jaar is de afvalberg van Zenderen vol en wordt dit gebouw in principe overbodig. Het is echter de bedoeling van de opdrachtgever, de regio Twente, om het weer in een ander project te gebruiken, het 'Landschap van de 21ste Eeuw' dat hier op een gebied van twee bij twee kilometer door de stedebouwkundige Ashok Bhalotra is bedacht.

In Nederland zijn we gauw geneigd te denken dat een ontwerp, of een concept pas zijn bestaansrecht heeft bewezen als het een oplossing voor een algemeen probleem biedt, en zich dus voor eindeloze klonen leent. Is dit ontwerp voor herhaling vatbaar? Moeten alle vuiloverstortplaatsen van Nederland zo'n hal krijgen? Alsjeblieft niet. Dit gebouw, dat met al zijn zachte vormen aan state of the art-computertechnologie is ontsproten, mag gerust uniek blijven. Niet elk succesvol experiment hoeft een nieuwe typologie toe te voegen aan het arsenaal van de ruimtelijke ordening. Unica hebben ook bestaansrecht.

    • Tracy Metz