Wijers verliezer in geding over aansprakelijkheid

DEN HAAG, 8 JAN. Minister Wijers van economische zaken is vorige week in het ongelijk gesteld door het College van beroep voor het bedrijfsleven in een geding dat vijf oliemaatschappijen tegen hem hadden aangespannen. Het College verbood de minister bij de overdracht van vergunningen voor olie- en gaswinning op de Noordzee, ondernemingen die samen een gasveld exploiteren elk hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van belastingen.

Het College van beroep voor het bedrijfsleden, de hoogste rechterlijke instantie voor economisch recht, vindt dat de minister de grenzen van zijn bevoegdheden heeft overschreden door bij brief en bij circulaire voorschriften uit te vaardigen die geen basis hebben in de Mijnwetgeving. Hoger beroep in deze zaak is niet mogelijk.

De beslissing van het college zal einde deze maand een rol spelen bij de behandeling van een westvoorstel in de Eerste Kamer, waarin de hoofdelijke aansprakelijkheid eveneens een rol speelt. Oliemaatschappijen worden in het wetsvoorstel hoofdelijk aansprakelijkheid gesteld voor betaling van een aantal belastingen en heffingen die verschuldigd zijn, als zij samen (in een consortium) olie en gas gaan winnen op het Nederlandse Continentaal Plat.

Deze hoofdelijke aansprakelijkheid geldt volgens het wetsvoorstel als voorwaarde voor zowel de verlening van vergunningen als bij overdracht daarvan. Dat laatste is nu door het College van beroep afgekeurd, maar het college heeft ook een verdergaande conclusie getrokken. De grondslag van de eis tot hoofdelijke aansprakelijkheid is volgens de minister van economische zaken dat de verplichting van partners in een consortium tot betaling van belastingen een ondeelbare verplichting is waarvan de naleving via hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling gegarandeerd moet worden. Die redenering is door het college onderuitgehaald.

Toch wil Economische Zaken het wetsvoorstel dat bij de Eerste Kamer ligt, niet intrekken, aldus een woordvoerster. Nogepa, de organisatie van bedrijven die in Nederland actief zijn met olie- en gaswinning, koestert “zeer sterke twijfels” of dit wel een goede gang van zaken is.

De Eerste Kamer zou het wetsvoorstel kunnen verwerpen, maar als het ondanks de bezwaren van het College van beroep wordt aanvaard, zou een nieuwe rechtsprocedure het gevolg kunnen zijn.

Het ministerie beroept zich echter op een andere zaak die diende bij de Raad van State, aldus de woordvoerster. In die zaak kreeg de minister wel zijn zin met de hoofdelijke aansprakelijkheid voor het verlenen van een vergunning voor gaswinning.

Het wetsvoorstel dat bij de Eerste Kamer ligt, behelst de wettelijke vertaling van een Europese richtlijn voor de exploratie van olie- en gasbronnen die voor alle lidstaten van de Europese Unie verplicht wordt. Economische Zaken heeft daarin de hoofdelijke aansprakelijkheid meteen 'meegenomen'. De Tweede Kamer maakte daar afgelopen zomer al bezwaar tegen en dwong minister Wijers het wetsvoorstel op dit punt af te zwakken. Maar voor de betaling van 'cijns', oppervlakterecht en bonussen, alle drie belastingen die aan de staat moeten worden afgedragen, eist het wetsvoorstel nog steeds hoofdelijke aansprakelijkheid.

De minister heeft dat voorgesteld, omdat de staat eind jaren '80 een keer schade heeft geleden toen een van de oliemaatschappijen niet aan haar verplichtingen voldeed en de andere bedrijven in het consortium dat deel niet wilden betalen. De oliemaatschappijen maken ernstig bezwaar tegen de extra verplichting die Wijers wil, zeker nu de olie- en gaswinning op de Noordzee geen vetpot is door de lage olieprijs en de hoge kosten voor exploitatie van kleine gasvelden.

Minister Wijers zou uiteindelijk toch zijn zin kunnen krijgen als hij de hoofdelijke aansprakelijkheid in een voorstel tot wijziging van de betrokken Mijnwetten vastlegt, en beide Kamers van de Staten-Generaal daarmee instemmen. Maar Nogepa, de Nederlandse vereniging van oliemaatschappijen die in de procedure bij het College van beroep juridische bijstand aan de betrokken leden verleende, is daar tegen. Nogepa vindt dat het mijnbouwklimaat in Nederland zo aantrekkelijk mogelijk moet worden gemaakt om de gas- en oliewinning op gang te houden en zoveel mogelijk werkgelegenheid te behouden. In zo'n beleid passen geen nieuwe verplichtingen, aldus de organisatie.