Triomf van Oestwolskaja bij hartelijke Rostropowitsj

Concerten: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mstislav Rostropowitsj m.m.v. Reinbert de Leeuw (piano) en Sergei Leiferkus (bariton). Programma: muziek van Sjostakowitsj en Oestwolskaja. Gehoord: 5, 6/1 Concertgebouw Amsterdam. Radio-uitz.: 13/1 Radio 4 (Sjostakowitsj) Bach-recital door M. Rostropowitsj. Gehoord 7/1 Concertgebouw Amsterdam.

Volgende concerten: 11/1 (nog kaarten beschikbaar) en 14/1 (uitverkocht).

In zijn memoires vertelt Dmitri Sjostakowitsj dat Katsjatoerian eens een compositie had geschreven voor Mstislav Rostropowitsj. De kritische cellist toonde zich vereerd, maar wilde niettemin enkele passages veranderd zien. Zijn verzoek daartoe verpakte hij in de volgende, uiterst diplomatieke bewoordingen: 'Uw compositie, maestro, is wonderschoon. Een gouden werk! Er zijn echter een paar passages die van zilver zijn; deze zou u nog kunnen vergulden.' Waarop de doorgaans lichtgeraakte componist zonder mokken opnieuw aan het werk toog.

Het is een veelzeggende anekdote over de 68-jarige Rostropowitsj die dezer dagen te gast is bij het Koninklijk Concertgebouworkest. In vijf concerten wordt een miniatuurportret geschetst van deze veelzijdige en kleurrijke persoonlijkheid. 's Werelds grootste levende cellist bespeelt in het Amsterdamse Concertgebouw niet alleen zijn strijkinstrument dat nog de sporen draagt van een onstuimige ontmoeting met Napoleon, maar hij treedt tevens voor het voetlicht als dirigent in programma's met muziek van zijn landgenoten Sjostakowitsj, Schnittke, Tsjaikovski en Oestwolskaja.

Wordt hiermee een soort festival in vestzakformaat gerealiseerd waarbij Rostropowitsj het stralende middelpunt is, de toejuichingen en de staande ovaties deelt hij ruimhartig met musici en componisten. Zo maakte Rostropovitsj na de uitvoering van Sjostakowitsj' Achtste symfonie een ereronde langs de verschillende instrumentengroepen van het Concertgebouworkest en troonde hij concertmeester Jaap van Zweden ten slotte mee de lange trap op.

De aanvankelijk even onwennige als onwillige componiste Galina Oestvolskaja moedigde hij vaderlijk aan te bedanken voor het stormachtige applaus waarmee het publiek haar muziek van de verschroeide aarde onthaalde. Waarna Oestvolskaja met aandoenlijke en bijna potsierlijke buigingen over het podium schuifelde.

Slava Rostropowitsj heeft een groot hart, waarin hij velen heeft gesloten, en hij heeft een groot ego. Als cellist overdondert Rostropowitsj vriend en vijand al decennia lang met zijn fabelachtige techniek en zijn spel dat vaak op het scherpst van de snede balanceert. Maar zijn benadering van de cello-suites van Bach, hèt monument uit de cello-literatuur waarmee hij onlangs na een studie van meer dan een halve eeuw voor het eerst op cd naar buiten trad - is omstreden. Met iedere Sarabande zingt Rostropovitsj het credo van de romantische Bach, die intussen door de historische uitvoeringspraktijk meedogenloos aan het kruis is genageld.

Romantische rubati, een rijke, vibrerende toon, gefantaseerde trillertjes en allerhande vrijheden die tegelijkertijd gedateerd èn fascinerend zijn. Iedere deeltje wordt hier van gouden maatstrepen voorzien in de klaarblijkelijke veronderstelling dat van Bach veeleer een matrix voor klankschoonheid is overgeleverd, dan een onaantastbare bouwtekening. Uitvoeren is componeren, telkens opnieuw uitvinden, is de stellige overtuiging van de cello-grootmeester. Zodoende kan bij Rostropowitsj een ornament evengoed fundament worden, terwijl elementaire 16de noten soms tot onbeduidende 32ste doorgangsnoten kunnen worden gedegradeerd.

De vrijheid die Rostropowitsj aan de dag legt in zijn vertolking van de Bach-suites staat haaks op de partituur-getrouwheid waarmee hij het Koninklijk Concertgebouworkest door de Achtste symfonie van Sjostakowitsj leidde. De fluisterzachte pianissimi, de schreeuwende sforzandi en de korte crescendi zijn bijna allemaal letterlijk in de notentekst terug te vinden. Tezamen met een energieke toccata en een poëtische passacaglia vormden zij de bouwstenen voor een monumentale uitvoering, waaraan aan Sjostakowitsj' Tweede vioolconcert voorafging in een fraai gedoseerde spanningsboog met Gidon Kremer als de ideale solist om uiting te geven aan de naargeestige, kille sfeer die uit dit werk spreekt.

Rostropowitsj is een bevlogen pleitbezorger voor de muziek van Russische bodem. Zo treedt hij wereldwijd op als ambassadeur van bijvoorbeeld de muziek van Galina Oestwolskaja, een voorliefde die hij deelt met Reinbert de Leeuw die van de gelegenheid gebruik maakte een speciaal aan deze zonderlinge componiste gewijd concert in te passen in zijn serie Carte Blanche. Oestwolskaja's Grand duet beleefde zaterdag een aangrijpende vertolking, waarin De Leeuw menig pianistiek spagaat maakte in dialoog met Rostropowitsj' zieltogend gezaag in de laagste registers van de cello.

Oestwolskaja componeert muziek van de marcherende laars. Zij schrijft geen partituren die klankschoon nastreven, geen muziek die wil communiceren. Ondanks de vier- of zelfs vijfvoudige fortes die het leed van de wereld tot op de pijngrens lijken uit te schreeuwen, is haar muziek in zichzelf gekeerd; toongewrochten waarvan de kern ver verscholen ligt onder een ruwe bolster van percussieve clusters.

Genre-aanduidingen verliezen bij haar hun historische betekenis en zijn hooguit nog een uitdrukking van een persoonlijk getint, programmatisch opschrift. Zo is Oestwolskaja's Tweede symfonie een eendelig werk voor zes fluiten, zes hobo's, zes trompetten, trombones, tuba, piano en pauken. Een onorthodoxe bezetting waarmee, zoals altijd, een muziekstuk wordt gemaakt waarvan de voortdurend beukende cadans en de summiere, soms bijna kinderlijke motieven de voornaamste bestanddelen zijn. Dit is afstotende muziek met een enorme aantrekkingskracht. En dat kan Rostropowitsj overtuigend duidelijk maken.

Als landgenoot en vooral als geestverwant weet Rostropowitsj met zijn dwingende lezingen iets van de doesjá over te dragen, de even befaamde als ongrijpbare Russische ziel die niet concreet aanwijsbaar is in de noten, maar zonder welke de muziek van Sjostakowitsj of Oestwolskaja levenloos blijft. Dat hij vanuit die achtergrond ook de Gigue uit Bachs Suite in C-groot speelt als betrof het de kolkende kamermuziek van Sjostakowitsj, mag vanuit puriteins oogpunt misschien laakbaar wezen, zijn interpretatie gaat echter gepaard met een muzikaal machtsvertoon, met een superioriteit die alle kritiek doet verbleken.

    • Emile Wennekes