Palestijnen dragen Ayyash gedisciplineerd ten grave

GAZA, 8 JAN. Geschuifel van voeten en wat gemompel, dat was eigenlijk het enige wat je hoorde. Toch waren er zaterdagochtend enige tienduizenden Palestijnse mannen onderweg naar de begrafenis van Yehiya Ayyash. Hamas-activist Ayyash, bijgenaamd 'de ingenieur', werd vrijdag in zijn schuilplaats in Gaza vermoord, naar wordt aangenomen in opdracht van Israel. Het was niet voor het eerst dat ze in Gaza een 'martelaar' ten grave droegen. Maar nooit eerder deden ze het zo gedisciplineerd.

“Tijdens de intifadah”, zei Ahmed Hamdoun (21), een student met een geblokte Fatah-sjaal om zijn hoofd, “leerde ik mijn woede te koelen door stenen te gooien of alles kort en klein te slaan. Lekker afreageren. Ik mis het. Ik ben woedend over deze laffe moord, maar het wordt nooit wat met Palestina als we alles blijven vernielen.”

Bij eerdere begrafenissen droop de agressie van de muren. De mannen brulden islamitische leuzen, verbrandden Israelische vlaggen, knalden alle munitie die ze hadden de lucht in en zwoeren dat ze alle joden zouden afmaken. Uit hun ogen straalde puur genot. Meestal waren dat rouwmanifestaties die de moslim-fundamentalistische organisaties Hamas of Islamitische Jihad hadden georganiseerd, of Arafats Fatah. Nu, voor het eerst, waren al die groeperingen tegelijk op de been en hield de meute zich gedeisd.

Sinds de komst van Arafat, anderhalf jaar geleden, stonden het Palestijnse Gezag en Hamas elkaar naar het leven. Dat die twee vorige week eindelijk een soort onderlinge wapenstilstand sloten vervulde iedereen met trots. Hamas was tot die knieval voor Arafat gedwongen omdat veel aanhangers van de beweging wegliepen. Zij zagen geen heil meer in een confronterende politiek. Terwijl Hamas-supporter Mahmoud Al-Rantisi met opgeschorte jurk door de modder sopte, zei hij: “We hebben ons altijd door Israel uit elkaar laten spelen. En nu, inshallah, niet meer.”

Omdat Ayyash (30) de Israelische veiligheidsdienst jarenlang gek maakte door bloedige aanslagen te orkestreren en spoorloos te verdwijnen, had hij hier de reputatie opgebouwd van een Griekse godheid die zich op moeilijke ogenblikken onzichtbaar maakt. Veel Palestijnen zagen hem dan ook als een afgezant van Allah. Ayyash kreeg een koekje van eigen deeg (een mobiele telefoon ontplofte in zijn gezicht), maar iedereen wist dat het moest gebeuren. Achter de kist met een grote 'bebloede' hand van rose papier-maché erop zei Hamas-aanhanger Abu Mohammed kalm: “Als ik de Israelische regering was, had ik hem ook uit de weg geruimd.”

Pagina 4: 'Ik wil wraak op Israel, maar wat heeft het voor zin?'

De begrafenis van Ayyash was de eerste gelegenheid waarop de Palestijnen elkaar - en Israel - konden tonen dat ze weer één waren en zich moreel sterk voelden. Op de door donorlanden gefinancierde asfaltwegen stonden Arafats politie en mannen van Hamas samen het verkeer te regelen. Hoge ambtenaren van Arafats Fatah reden voor de stoet uit, hun auto's vol kransen en foto's van Ayyash in een paars overhemd. Veel mannen liepen de lange tocht van de Palestina-moskee naar de begrafenis hand in hand, een vreemde, serene blik op het gelaat. Alle winkeliers hadden uit solidariteit hun deuren gesloten. Er werd nauwelijks geschoten.

De zelfmoordbrigades met hun enge, witte maskers lieten zich niet zien dit keer. Jongens die in telefoonpalen klommen om draden stuk te trekken, werden er weer uit gecommandeerd - en ze gehoorzaamden ook nog. De mannen namen de leuzen van de Hamas-geluidswagen alleen over als er een cameraploeg van CNN of een ander kanaal in de buurt was. “Allahu Akbar!” brulden ze dan, God is groot, of: “Met onze ziel en ons bloed zullen we Ayyash wreken!” Eventjes maar, alsof het een passerende wave was in een voetbalstadion.

“Ik vind dat we Ayyash moeten wreken,” zei Ahmed Hamdoun, de student Engels, “maar wat heeft het voor zin? Na elke aanslag in Israel gaat de Gazastrook op slot, kan niemand meer in Israel werken en raken de winkels leeg. En intussen gaan de onderhandelingen met Israel toch door.” Zijn vriend, een student elektrotechniek met een syllabus onder de arm, was het niet met hem eens. “En onze eer dan?” vroeg hij. “Een bus vol joden, BAM, de lucht in!”

“Denk jij”, sprak Ahmed na enig nadenken, “dat we nog een cent van de buitenlandse donoren zullen krijgen als we weer bommen laten ontploffen?” Daar, in de menigte voor de Palestina-moskee, probeerden Ahmed en zijn vriend elkaar met argumenten te overtuigen. Een jaar geleden viel er tijdens zo'n begrafenis geen enkel zinnig woord te noteren.

Uren later, toen het lijk ver buiten de stad al ten grave was gedragen, dook Ahmed ineens uit een citrusboomgaard op. Hij had een klein ventje bij zijn lurven, die daar een plastic zak met sinaasappels had gevuld toen er even niemand keek. “Wij moeten leren,” zei Ahmed voor hij het ventje weer losliet, “om ons te gedragen.” Hij keek er ineens wat onwennig bij, bij dit lesje burgerzin. Toen haalde hij zijn schouders op en slofte hij, in de lage zon, met al die duizenden andere Palestijnen zwijgend de lange weg weer naar huis.