Paars energiebeleid is futloos; Een ècht ambitieus paars beleid moet de maatschappij confronteren met hogere lasten

Nederland geeft in Europees verband met zijn energiebeleid een mooi voorbeeld, maar volgens Theo Westerwoudt is er allerminst reden ons daarvoor op de borst te slaan. Het kabinet speelt op safe, terwijl juist gedurfde maatregelen geboden zijn.

Politieke ambities die vóór verkiezingen worden geformuleerd, blijken voor ministers die daarna op het rode pluche terechtkomen en met de weerbarstige werkelijkheid van de Nederlandse samenleving te maken krijgen snel te verbleken. Het paarse kabinet is daarin geen uitzondering voor wie kijkt naar het energie- en milieubeleid, dat niet of nauwelijks afwijkt van wat eerdere kabinetten hebben gepresteerd.

Minister Wijers (economische zaken) joeg vorige maand de milieubeweging in de gordijnen met zijn Energienota. Wijers' doelstellingen klinken ambitieus: de energie-efficiëncy moet in 25 jaar met een derde worden opgevoerd en de bijdrage van duurzame energiebronnen (zon, wind, water, biomassa) vertienvoudigd van één tot tien procent. Bij de laatste verkiezingen stelde zijn partij, D66, zich aanzienlijk 'groener' op en beloofde een verbetering van de energie-efficiency met drie procent per jaar.

Omdat Wijers een pragmatische denker is die de markt en de economische groei geen strobreed in de weg legt, is zijn bijdrage aan het terugdringen van het broeikasgas kooldioxyde (CO) teleurstellend: 0,5 procent per jaar. In 25 jaar tijd resulteert het beleid van de Energienota slechts in een stabilisering van de CO-emissies ten opzichte van 1990.

Logisch dat de milieubeweging daarvan schrikt, want het kabinet zit vast aan zijn doelstelling om deze emissies tegen het jaar 2000 met 3 procent te verminderen, vergeleken met 1989. Daarna komt de veel grotere uitdaging die op 16 december j.l. in Rome door het Intergovernmental Panel for Climate Change (IPCC) op het bordje van de internationale gemeenschap is gelegd. Binnen enkele decennia zal de huidige groei in de uitstoot van broeikasgassen vrijwel zeker tot catastrofes leiden. Alleen al om de concentratie CO te doen stabiliseren op het huidige niveau is een onmiddellijke reductie in de mondiale uitstoot van maar liefst 60 tot 80 procent nodig, aldus het Syntheserapport van IPCC.

Wijers wil op dat soort dramatische taakstellingen niet vooruitlopen. Hij is op de eerste plaats gebonden aan de slogan van de regeringsverklaring: werk, werk en nog eens werk. Die verdraagt zich niet met een beperking van economische activiteiten in Nederland. Het beleid is juist gericht op versterking daarvan. Alles wordt uit de kast gehaald om ondernemingen tot innovatie op het gebied van zuinige en duurzame energietechnologie te stimuleren en zo mogelijk die produkten ook op buitenlandse markten af te zetten.

Bij de energiebesparing, onder andere in de sectoren industrie, bouw en verkeer en vervoer, moet het gaan om “op zich rendabele activiteiten”, schrijft de minister. Maar die doelstelling is moeilijk te halen bij de huidige lage energieprijzen. Daar komt bij dat bij de matige economische groei die Wijers voor de komende periode voorspelt, het totale energieverbruik van de industrie ook nog toeneemt, en bij de transportsector zelfs fors.

Het liefst zou Wijers, zo legde hij op de persconferentie over zijn nota uit, het probleem van de lage olieprijs te lijf gaan met een heffing waarin alle externe kosten van het energieverbruik worden 'meegenomen'. Dus ook de kosten voor milieuschade en uitputting van grondstoffen. Dat zou de beste economische impuls voor energiebesparing bieden.

Maar zo'n heffing kan slechts in internationaal verband werkelijk effect sorteren en dat kan alleen - en op langere termijn - lukken als het Syntheserapport van IPCC serieus wordt genomen. Een nationale heffing zou de concurrentiepositie van de Nederlandse energie-intensieve industrie een nekslag geven, waardoor deze bedrijven de grenzen over worden gejaagd. De economische groei en werkgelegenheid zouden daardoor ernstig worden aangetast.

Bovendien wordt dan qua milieu-effect het paard achter de wagen gespannen. Want bij verplaatsing van energieslurpende sectoren als raffinage, (petro-)chemie, staal-, aluminium- en zinkproduktie, dreigt her-vestiging in landen waar energie nòg goedkoper is en milieunormen minder streng zijn. Dat kan averechts uitpakken op de uitstoot van emissies en de zorgen over aantasting van het klimaat alleen maar vergroten.

Wijers gokt op termijn wel op een minder energie-intensieve economie door de opkomst van de dienstensector, maar of dat echt zoden aan de dijk zet is koffiedik kijken. Een grotere gok is het klimaatbeleid. Inzet van het Nederlandse beleid is tot dusver een stabilisatie van de CO-uitstoot na 2000, maar die doelstelling is met het Syntheserapport van IPCC zeker niet meer toereikend.

Over de implicaties daarvan zal het kabinet zich in een nieuwe klimaatnota uitspreken. Minister Wijers zegt dat in die nota niet wordt “teruggekomen” op het energiebeleid dat hij heeft ontvouwd, maar hij sluit niet uit dat internationale afspraken over een nieuwe aanpak van het klimaatprobleem “te zijner tijd” toch zal nopen tot een beleidsintensivering.

Maar vooralsnog laat hij het bereiken van de kabinetsdoelstelling om de CO-uitstoot tegen het jaar 2000 met drie procent terug te dringen en daarna tot een stabilisatie te komen, grotendeels over aan zijn collega, minister De Boer van VROM. Die moet, samen met minister Jorritisma zorgen voor besparingen in de moeilijkste sector: de mobiliteit met als belangrijkste exponent het autoverkeer dat nu nog een sterke groei vertoont, en maatregelen zoals de aanleg van bossen die CO opnemen.

Nederland geeft in Europees verband met zijn energiebeleid een mooi voorbeeld, maar er is geen reden om ons daarvoor op de borst te slaan. Het moet beter. Het broeikaseffect is weliswaar een internationaal probleem, waarop een streng Nederlands beleid nauwelijks effect uitoefent. Maar het beleid gaat nu niet verder dan een stabilisatie van CO-emissies en het beperken van risico's.

Het uitgangspunt van het kabinet, dat alle besparingsactiviteiten rendabel moeten zijn, frustreert de mogelijkheden. Een ècht ambitieus paars beleid moet de maatschappij confronteren met hogere lasten om een krachtiger ombuiging van het energieverbruik en introductie van - nu nog kostbare - duurzame energiebronnen op grotere schaal mogelijk te maken.

Bij zo'n beleid passen ook harde maatregelen om de mobiliteit duurder te maken, wegen te ontlasten, het openbaar vervoer te verbeteren en het goederenvervoer waar enigszins mogelijk op futuristische wijze om te vormen. Gezien de enorme investeringen die nodig zijn voor bijvoorbeeld een ondergronds vervoersnet voor goederen in de Randstad, een mogelijkheid die het kabinet nu laat onderzoeken, kan de staat hierbij de markt stimuleren bij het creatief zoeken naar financieringsmiddelen.

    • Theo Westerwoudt