Ontwerp van nieuwe popzaal Max is gericht op zo droog mogelijke klank; Publiek gemanipuleerd wegens akoestiek

Niet alleen over de akoestiek van concertzalen voor klassieke muziek wordt nagedacht, dat is soms ook het geval bij popzalen. In de nieuwe zaal van de Amsterdamse Melkweg zijn de inrichting en de plaats van het publiek zelfs bepaald door de akoestiek.

Poppubliek is gauw tevreden. Het is wonderlijk hoe enthousiast het nog reageert op concerten die abominabel klinken. Onverstaanbare teksten, instrumenten waarvan de afzonderlijke klanken niet te horen te zijn, maar verloren gaan in een zompig lawaaimoeras, overvolle en oververhitte zalen - het deert het publiek allemaal niet.

Het is een vreemde paradox: in geen muzieksoort is het geluid, de 'sound', zo belangrijk als in de popmuziek - sommige groepen ontlenen er zelfs hun bestaansrecht aan - maar aan de akoestiek van de popzalen wordt nauwelijks aandacht besteed. Prince en voorheen Prince moesten bijvoorbeeld de afgelopen jaren optreden in de Brabanthallen, een kolossale galmbak in Den Bosch waar overdag koeien staan te loeien. 's Avonds klinken concerten daar niet veel anders en van het geluid, waaraan Prince en zijn opvolger op hun platen zo veel aandacht besteden, is dan ook niets te horen.

Het kan niet anders of het doet er voor het publiek niet zoveel toe hoe een concert klinkt. Een popoptreden is een een schets van een concert dat in het hoofd van de bezoekers zijn voltooiing vindt. Het publiek kent de nummers uit het hoofd en het is voldoende om de idolen iets te horen zingen dat in de verte lijkt op de nummers zoals het die kent van de plaat. De rest vullen de toehoorders zelf wel in. Door de teksten luidkeels mee te zingen bijvoorbeeld, zodat de optredende eigenlijk helemaal niet meer te horen is.

“Akoestiek is een subjectieve zaak”, zegt architect Jim Klinkhamer in de door hem ontworpen Max, de nieuwe grote zaal van de Melkweg in Amsterdam. “De perceptie speelt een grote rol bij het ervaren van geluid. Paradiso heeft bijvoorbeeld objectief gezien helemaal geen goede akoestiek, maar het publiek en ook de artiesten nemen het door de reputatie van de zaal toch anders waar en komen er graag. Of misschien nemen ze wegens de goede sfeer van de zaal de slechte akoestiek voor lief.”

In november werd The Max geopend als onderdeel van de grootscheepse verbouwing van De Melkweg. Het is een bijzondere zaal, want bij het ontwerp van de zaal, die in een ver verleden onderdeel was van eerst een suiker- en later een melkfabriek, is voor popbegrippen uitvoerig rekening gehouden met de akoestiek. Van de 8 miljoen gulden die de hele verbouwing kostte, werd 7,5 ton besteed aan akoestische maatregelen.

Toch vormde de akoestiek niet de belangrijkste overweging bij het ontwerp van de zaal. “Alles is ondergeschikt gemaakt aan de zichtlijnen. Er zijn gietijzeren kolommen weggehaald, het podium is in verhouding met de zaal breed en de vloer is verlaagd, zodat er aan de zijkanten van de zaal een soort tribune ontstond”, vertelt Klinkhamer.

Het effect van deze ingrepen is verbluffend: duizend toeschouwers kan de zaal bevatten, maar wie The Max leeg ziet, kan dit niet geloven: de ruimte oogt klein en intiem. Dit heeft mede te maken met het materiaalgebruik: naast staal heeft Klinkhamer veel blank hout gebruikt. “Het balkon is van staal, omdat je daarmee lichte constructies kunt maken”, licht Klinkhamer toe. “Zo kon de vloer van het balkon heel dun blijven, zodat dit niet ten koste gaat van de ruimte onder het balkon. Maar ik wilde het publiek niet helemaal in het staal zetten - dat zou wat al te koud worden. Uitgangspunt was dat alles wat je aanraakt, van hout moest worden.” En dus zijn de bar, de leuningen van trappen en balkons en de lambrizeringen van hout.

Een deel van de akoestische maatregelen bestond uit geluidsisolatie: het popkabaal mag de buren geen overlast bezorgen. Muren zijn door de verschillende isolatielagen een meter dik geworden en de ramen - The Max is een zaal waar het daglicht kan toetreden - zijn uitgedijd tot een halve meter breedte.

Op de akoestiek hadden de dikke muren en ramen geen invloed. Daarvoor moet Klinkhamer andere maatregelen nemen. “De akoestiek van een popzaal is niet zo ingewikkeld als die van een ruimte waar een symfonie-orkest moet optreden”, vertelt Klinkhamer die eerder ondermeer zalen in Utrecht (Ecco) en Amersfoort (Theater De Lieve Vrouw) ontwierp. “Bij een symfonie-orkest moet elk instrument afzonderlijk te horen zijn, en dat zijn er veel meer dan bij welke popband dan ook. Bij popmuziek is de opdracht voor een architect eigenlijk heel eenvoudig: hij moet de zaal 'droog maken'. Dat wil zeggen dat de nagalmtijd moet worden beperkt tot minder dan 1 seconde. Het ideaal is een nagalmtijd van 0,7 seconden, maar dat wordt door het gebruik van harde bouwmaterialen meestal niet gehaald.”

Zachte materialen dempen de hoge tonen en doen het 'sis'-geluid afnemen. In het plafond van The Max is daarom geperst steenwol gebruikt. Ook achter het toneel werd een zachte wand geplaatst. Een probleem vormt ook de zogenaamde 'flutter', die ontstaat doordat een trilling wordt weerkaatst en gaat resoneren met nieuwe trillingen. Deze wordt verhinderd doordat ook de muur achter het middenbalkon in The Max van zacht materiaal is gemaakt. Lage tonen worden gedempt door buigzame materialen en dus zijn in The Max ook zogenaamde 'buigslappe' voorzetwanden toegepast. “Een probleem bij de lage tonen is dat ze in de moderne popmuziek steeds lager worden”, vertelt Klinkhamer. “Vroeger lagen de laagste tonen rond de 125 Herz, maar door nieuwe elektronische versterkingsapparatuur kunnen tonen worden geproduceerd die wel ervaarbaar zijn, maar niet meer in decibellen kunnen worden gemeten. De techniek om geluid voort te brengen is sneller gegaan dan de meettechnieken.”

Maar de belangrijkste akoestische maatregel bestaat uit materiaal dat zich moeilijk laat sturen: mensen. The Max kan worden omschreven als één grote manipulatiemachine.

“De modellering van het publiek was het uitgangspunt van het ontwerp”, zegt Klinkhamer. “Je kunt heel goed beredeneren waar mensen zullen gaan staan. Bij de trappen hebben we bijvoorbeeld blokken geplaatst, zodat mensen daar niet blijven staan en de weg vrij blijft. En de balkons hebben zulke afmetingen dat vooraan, bij de balustrade, slechts twee rijen mensen kunnen staan. Een derde rij zou er ongemakkelijk staan. Die gaan vanzelf een trede hoger, zodat er altijd een pad open blijft.

De muren onder de balkons hebben brede lambrizeringen gekregen waarop mensen kunnen zitten. Het is er net te laag om goed te staan en dus gaat het publiek lekker op de lambrizeringen hangen. Dat is ook de bedoeling en het werkt: het vroegkomende publiek gaat altijd tegen de muren staan in The Max. Zo zijn de muren ook in een halfvolle zaal gecapitonneerd met mensen en die zorgen nog altijd voor de beste geluidsdemping.''

    • Bernard Hulsman