Nog een keer Lubbers

TUSSEN NEDERLANDSE en Amerikaanse bewindslieden en topambtenaren lijkt een bizar wajang-spel te zijn gespeeld. Dat beeld komt naar voren in de reconstructie van de mislukte NAVO-kandidatuur van oud-premier Lubbers in de krant van zaterdag. Vage verklaringen en verwijzingen, al te subtiele signalen en een sollicitatielunch, die in nette onvertogenheid is blijven steken.

Er is al veel gezegd en geschreven over de onhandigheden aan Nederlandse zijde. De nogal openlijke ministeriële lobby in New York die toch geen lobby mocht worden genoemd, stond haaks op de eis van de kandidaat en de toezegging van de betrokken bewindslieden dat vertrouwelijkheid zo lang mogelijk zou worden nagestreefd. De voortijdige bekendmaking van Lubbers sollicitatiereis naar Washington door het verantwoordelijke departement was ronduit een blunder. Minister Van Mierlo mag zichzelf verwijten dat hij zijn Amerikaanse ambtgenoot nooit de hamvraag heeft gesteld: aanvaarden of torpederen jullie een officiële kandidatuur-Lubbers? Zo kon de rozige mist van het irreële optimisme wekenlang de Nederlandse diplomatie parten spelen.

Toch hebben ook de Amerikanen vreemde dingen gedaan, die ook volgens Amerikaanse waarnemers duidden op gebrek aan ervaring. De verontschuldigende mededeling dat het Washington van Clinton de Nederlander Lubbers niet goed kende, kan zo niet als een gotspe dan toch als blijk van gebrek aan professionaliteit worden beschouwd. Amerikaanse regeringen beginnen vaak met een schone lei, maar dat hoefde toch niet te betekenen dat de regering ziende blind en horende doof moest blijven, tot ver in het derde jaar van haar eerste ambtstermijn. MAAR OOK ALS ER begrip voor Amerikaanse bezwaren tegen de persoon van Lubbers zou kunnen ontstaan, blijft er voldoende aanleiding voor kritiek op de Amerikaanse aanpak. De verantwoordelijken in Washington mogen verrast zijn geweest door het Haagse optimisme, ze hebben kennelijk te weinig ondernomen om het Nederlandse enthousiasme af te remmen.

De persoon van Lubbers en de kwaliteit van de Nederlands-Amerikaanse betrekkingen zijn door het verloop van de kandidatuur beschadigd. Daarvoor draagt Den Haag een deel van de verantwoordelijkheid, door de slordige wijze waarop met de in dit soort kwesties gangbare vertrouwelijkheid is omgesprongen en door de ononderbroken vaagheid van het overleg met Washington. Anderzijds heeft de regering-Clinton geen begin van gevoeligheid getoond voor de historische relatie tussen Unie en koninkrijk. Het bewind dat de vertrouwensband met Europa zegt te willen aanhalen en uitbreiden, toonde hier averechts gedrag. Dat is iets om te onthouden, maar voor Den Haag niet iets om verder over te blijven mokken.