Nederland is niet vol

Direct over het spoor begint het zandpad. Ooit moet het een belangrijke route zijn geweest, want anders zouden er niet van die schaduwrijke rode beuken aan weerszijden zijn geplant.

De wortels van de reusachtige bomen werken zich door het zand omhoog. Het pad houdt de warmte van de dag nog vast. Achter het rode bladerdak zien we wuivende maïsvelden, heel in de verte heuvelt de bosrand. De zon zakt langzaam, een late vogel fluit. “Wat mooi! Net Frankrijk...” verzuchten wij, kinderen van een generatie die door ondernemende ouders tijdens schoolvakanties in een met tenten, plunjezakken en Donald Ducks beladen deux-chevaux werden gepropt om het veel opwindender buitenland te verkennen. Frankrijk, Schotland, desnoods de Ardennen, daar was het mooi. Maar gewoon in Nederland blijven, nee, dat deden onze ouders - die zich net hadden bevrijd van het idee dat Sneek het middelpunt van de wereld was - niet meer.

Zo komt het dat we staan aan de voet van de Holterberg, en het gevoel hebben dat we in Frankrijk zijn. Bij het Mirnserklif in Gaasterland wanen we ons aan de Engelse kust, Drenthe lijkt ontegenzeggelijk op België, en Limburg rekenen we gemakshalve helemaal niet meer bij Nederland. Ons land blijkt bij nadere kennismaking, kortom, veel mooier dan we dachten. En rustiger bovendien. Want na een nachtje slapen onder het rieten dak van Hotel Hoog Holten verkennen we de Sallandse heuvelrug. Weids, adembenemend, hartje augustus, stralende zonneschijn, geen mens te bekennen.

Wie beweert dat Nederland vol is, moet eens in de zomer door een bos gaan wandelen. Een gewoon bos - mét bomen maar zónder attracties als pret- en sprookjesparken wel te verstaan. Of gaan fietsen over het Groningse platteland. Uitgestorven op een enkele boer en wat lome koeien na. Pittoresker kan het bijna niet. Vanwaar die rust? Want behalve de twintig procent Nederlanders die helemaal niet met vakantie gaan (vanwege te duur, te oud, te jong of gewoon omdat ze er niet van houden), zijn er zeven miljoen Nederlanders die vakantie in eigen land vieren. Worden de korte en lange vakanties bij elkaar geteld, dan maken zij met elkaar 16 miljoen vakanties binnen de landsgrenzen. Het curieuze is, dat ze dat zo graag op een kluitje doen. Op of langs het water. Zo verbleven vorig jaar 750.000 landgenoten in de badplaatsen langs de kust, twintig procent meer dan het jaar ervoor. Ook in watersportgebieden nam het toerisme vorig jaar met tien procent toe. Het aantal boekingen voor reizen naar het buitenland daalde licht, waarschijnlijk dankzij de mooie lente en zomer. Je zou verwachten dat de binnenlandse toerisme-industrie juicht van enthousiasme.

Toch klinken er vooral voorzichtige geluiden. Zo verwacht men over het hele jaar uit te komen op een groei van het aantal binnenlandse vakanties van 1 à 2 procent. De toerist in eigen land kiest bovendien voor een relatief kort, prijsbewust verblijf op de camping of in het bungalowpark, en besteedt dan maar verrassend weinig geld, vier keer minder dan tijdens zijn buitenlandse reizen. En dat terwijl Hollanders in het buitenland al als ronduit zuinige, op het randje van gierige, vakantiegangers bekend staan, die liefst de complete voedselvoorraad in de vooronders van de caravan meevoeren, en zich zo min mogelijk aan de verrassingen van vreemd voedsel en onbekend vertier overgeven.

Want onze pretparkloze en waterarme gebieden zijn natuurlijk vooral zo rustig omdat er in de zomermaanden een massale volksverhuizing plaatsvindt. Bijna zes miljoen Nederlanders (van achttien jaar en ouder) ging naar het buitenland, zo blijkt uit het Nipo vakantie-onderzoek 1995. In totaal 1 procent minder mensen dan het jaar ervoor. “De groei is eruit!” luidt de conclusie dan ook. Gelukkig, zou je zeggen, mogen we in Nederland nog een paar mensen overhouden om het land aan de praat te houden? Daarbij komt dat er, in de ogen van de reisbranche, een aantal verontrustende ontwikkelingen gaande is. Zo boeken steeds meer mensen steeds korter voor vertrek, en neemt het aantal bijzondere en last-minute-aanbiedingen toe. Ietwat zorgelijk concludeert de branche dat het publiek het vakantieprodukt meer en meer als een gewone aanschaf gaat zien. Dat lijkt een logische en terechte ontwikkeling. Vroeger was vakantie nog iets bijzonders, en een reis naar het buitenland verschafte bepaald aanzien. Tegenwoordig gaat iedereen. Net zoals iedereen een mooie auto heeft, en jaarlijks een nieuwe winterjas koopt, horen de buitenlandse verblijven er helemaal bij. Alleen met het reisdoel kun je je nog van de buren onderscheiden. Wie gaat bergwandelen in Nepal, de zijderoute van Oezbekistan naar Bejing afreist, of de tempels van Indonesie gaat bekijken geeft blijk van een avontuurlijke geest. Die gaat niet met vakantie, maar reist. Of, zoals Bastiaan Bommeljé in deze krant stelde: “In onze egalitaire samenleving is toerisme geworden tot een van de laatste terreinen waar de strijd om status en distinctie wordt uitgevochten.” Fietsen doe je niet meer gewoon in Frankrijk, maar in Costa Rica. Wie Spaans wil leren gaat niet meer naar Salamanca, enige jaren terug nog reuze blits, maar vertrekt naar Guatemala.

Het boeken op verre en exotische bestemmingen neemt zulke vormen aan, dat er van een heuse trend gesproken wordt. “De wereld was nog nooit zo groot”, luidt de leuze van de Vakantiebeurs 1996 dan ook blijmoedig. Een vergissing. De wereld was nog nooit zo klein. We kunnen overal heen, en hoeven nergens meer bang voor te zijn. Wie het toch nog een beetje eng vindt, boekt een groepsreis. De statusgevoelige reiziger die na dagen treinen de Chinese muur beklimt, treft bovenop een vrolijke ploeg Hollanders die elkaar kieken voor het nageslacht. Wie zich in een gammel busje in de bloedhitte naar een Egyptische piramide laat voeren, en het doorstaan van zoveel ontberingen bepaald heldhaftig vindt, treft op de plek van bestemming zo'n 120 lotgenoten in het woestijnzand.

Wie drie dagen wacht om een uitzonderlijk begrafenisritueel op Sulawesi bij te wonen, staat naast een groep Zeeuwen in blije polo's en bermuda. Nog even, en van de exclusiviteit van de exotische bestemming blijft geen spaan meer over. De nieuwste trend laat zich raden: die speelt zich af in eigen land. Weg van de massa, in de rust van bos en hei. Kom je er een andere Hollander tegen, dan veroorzaakt dat slechts zelden de ergernis die er in het buitenland mee gepaard gaat. De reistijden zijn kort, het logies uitstekend, nu zoveel hoteliers in rap tempo het imago van oubolligheid en spruitjeslucht hebben afgeschud. Zelfs het weer zit, gezien de voortschrijdende opwarming van de aardbol, mee. Nederland was nog nooit zo groot.

    • Jinke Obbema