Mitterrand

DE DOOD VAN François Mitterrand komt niet als een verrassing. Al in de laatste maanden van zijn presidentschap was Mitterrand een door zware ziekte getekende. Hij was zich daarvan bewust en toonde ook in het openbaar dat hij zich op het einde voorbereidde. Daarmee sloot Mitterrand, misschien wel onbewust, aan bij een Amerikaanse traditie die de gehele politicus min of meer tot publiek eigendom maakt. Niet alleen van zijn politieke overtuiging, maar ook van zijn persoonlijk, geestelijk en lichamelijk welzijn en zijn innerlijke strijd daarbij mocht en moest het volk deelgenoot worden gemaakt.

Dat Mitterrand, ondanks zijn sfinx-imago, niet bang was zich bloot te geven bleek ten overvloede in zijn laatste jaren. De openheid die hij tegenover de auteur Pierre Péan betrachtte ten aanzien van zijn 'pétainistische' verleden was daarvan een bewijs. Zij toont de na De Gaulle belangrijkste politieke leider van het naoorlogse Frankrijk in al zijn complexiteit: een mengeling van ideologische overtuigingskracht en politieke wendbaarheid, van zelfvernietigende rechtlijnigheid en een beproefd aanvoelen van het politiek haalbare. MITTERRAND BRACHT niet alleen Frankrijks socialistische partij tot nieuw leven tijdens een paar decennia durend continuüm van rechts en centrum-rechts, hij verleidde Frankrijks gestaalde stalinistische kaders tot een samenwerking die links weer aan de macht moest brengen. Daarin slaagde Mitterrand, met een programma dat zich aandiende als een combinatie van de idealen van mei '68 en van ouderwetse socialistische dogma's. De roos in de vuist, het frisse symbool van de linkse wederopstanding, bleek een attractie tot over de Franse grenzen.

Maar de tijden verdroegen het reine socialisme niet meer. Alom werden de verzorgingssystemen aangepast, begon de staat aan een praktische terugtocht, al was het maar omdat het maatschappelijk draagvlak onder de oude idealen bezig was af te brokkelen. Mitterrands experiment dreigde zijn politieke ondergang te worden, losgeslagen als Frankrijk economisch en financieel raakte van zijn Europese omgeving.

Wat weinig politici hem zouden nadoen, gelukte Frankrijks socialistische voorman in een handomdraai. Ideologie werd vervangen door pragmatisme, aansluiting werd gezocht bij wat in de rest van Europa gangbaar was geworden. De kiezers rekenden het hem persoonlijk niet aan toen hij, dankzij de politieke gevarieerdheid van het personeelsbestand van de socialistische partij, de ene premier na de andere uit de hoed toverde, al naar gelang de praktisch-politieke accenten die op dat bepaalde moment moesten worden gezet. Tot tweemaal toe dwong het electoraat de meest uitgesproken ideologische president van na de oorlog zelfs tot 'cohabitatie', tot samenwerking met een rechtse regering. Maar dat verhinderde Mitterrand niet om de eigen Franse en door hem eens verguisde vorm van het 'keizerlijke presidentschap' tot de laatste leefregel uit te buiten om zijn stempel blijvend te zetten op veertien jaar aaneengesloten presidentieel bewind. HET FRANKRIJK dat Mitterrand heeft nagelaten is een land dat is blijven steken in de hervormingspolitiek, maar dat naar goed-gaullistische traditie ook is blijven geloven in zijn eigen bijzondere plaats temidden van de andere mogendheden en in zijn recht op het Europese leiderschap. Dat die overtuiging van tijd tot tijd wordt begeleid door erupties van sociaal ongemak en uitbarstingen van onbeheerste woede en afkeer jegens de regering van het moment, is voor de buitenstaander misschien verwarrend, maar is geheel in overeenstemming met het historisch bepaalde stemmingsbeeld van het Franse volk: altijd geneigd tot revolutie, maar steeds weer tot de laatste snik trouw aan de staat. Niet toevallig dat de persoonlijkheid van Mitterrand van die typisch-Franse paradox als een projectie kon worden beschouwd.