Kerstbomenjacht

Met een diepe zucht zet de vader van Jet en Dick een grote kerstboom voor het raam in de woonkamer. “Oef, wat zwaar.” De kinderen stralen. Wat een boom! Zo'n grote heeft vader nog nooit gekocht. “Vraag maar aan moeder waar de versiering ligt, dan mogen jullie hem zelf optuigen.” Even later hangen de eerste ballen er al in. “Ik doe de piek, hoor”, zegt Jet en haalt alvast een kruk om bij de top van de boom te kunnen. “Ik doe het engelenhaar en de lichtjes” zegt Dick. Na een uur zijn ze klaar en doet Dick de lichtjes aan. “Wat zal die boom straks lekker branden”, zegt hij. Jet kijkt hem niet begrijpend aan. Zij is 10 jaar, Dick al 12. “Je weet toch nog wel van vorig jaar, toen heb ik na nieuwjaar kerstbomen verzameld voor de grote bomenbrand? Ga ik dit jaar weer doen en jij mag meehelpen. We moeten er zoveel mogelijk vinden en in de tuin zetten, want andere kinderen mogen er niet bij.”

Twee straten verder wonen Kees en Henk. Aardige jongens, maar je moet wel uit hun straat wegblijven als daar op 2 januari door de buren de onttakelde kerstbomen worden neergezet. Want die zijn van hen voor de grote bomenbrand. Zelf hebben ze geen boom. Hun moeder vindt het maar heidens en vader heeft niets te zeggen. Thuis branden wel kaarsjes op eerste kerstdag en die avond wordt extra lekker en veel gegeten. Wanneer de klokken op oudejaarsavond twaalf uur slaan, staan Kees en Henk buiten naar het vuurwerk te kijken. Daar komt de buurvrouw aan om de jongens gelukkig nieuwjaar te wensen. Kees ziet zijn kans schoon. “Zullen wij u morgen helpen met het aftuigen van uw kerstboom?” “Ach jongen, wat vind ik dat nou aardig”, zegt de buurvrouw. “Zo, we hebben er al eentje binnen”, denkt Kees.

De dagen na nieuwjaar zetten de meeste buren hun boom op straat. Zodra de kust veilig is, rennen Kees en Henk naar buiten om er een te pakken. Plotseling zien ze Dick en Jet met een boom onder hun arm. “Zeg, wat krijgen we nou? Jullie wonen hier helemaal niet. Dit is onze straat”, klinkt het dreigend. Van schrik laat Jet de boom bijna vallen. “Pas toch op, straks raken we hem kwijt”, roept Dick. Henk loopt op hem toe. “Geef hier die boom.” Jet wil het liefst weg hollen maar dat durft ze niet. Dan mag ze volgend jaar vast niet meer mee op bomenjacht. Dick houdt zijn adem in. Henk staat nu vlak voor hem steekt zijn hand uit naar de boom. “Geef hier.” Dick laat de boom los en Henk grijpt zijn kans. Maar juist op het moment dat hij zich bukt om de boom te pakken geeft Dick hem een harde klap onder zijn kin en valt Henk pardoes achterover. Jet en Dick rennen met de boom weg.

Overal in de wijk proberen groepjes kinderen zoveel mogelijk kerstbomen te pakken te krijgen. Er is zelfs een jongen van achttien jaar bij. Hij is de sterkste en voor hem zijn alle buurtkinderen een beetje bang. Ze komen niet in zijn straat maar omdat hij zo sterk is en heel hard kan lopen, komt hij zelf overal om bomen mee te nemen. “Dat is niet eerlijk”, zegt Jet als ze opnieuw met Dick een boom naar huis sleept en de grote jongen met een boom voorbij komt. “Hij woont hier helemaal niet.” “Sst”, fluistert Dick, hij wil niet voor de tweede keer ruzie.

Ze komen langs het huis van Job. Ze kennen hem al heel lang en gaan vaak met hem wandelen. Job zit in een rolstoel voor het raam. Dick zet de boom neer en wuift naar de jongen. Job zwaait terug. “Komen jullie even binnen?” roept hij. “En de boom dan”, vraagt Jet. “Die kunnen we niet voor zijn deur achterlaten, dan zijn we hem straks kwijt.” De moeder van Job staat al in de deuropening. “Zet de boom maar in de tuin, dan heeft Job er ook één voor de grote bomenbrand.” Dat doen ze. “Jullie hebben zeker geen tijd om met me te rijden, he?” vraagt Job even later. In het hoofd van Dick rijpt een plan. Ze zouden, met de rolstoel, veel sneller hun bomen thuis krijgen. De boom zou dan over de benen van Job gelegd moeten worden en samen zouden ze hem razendsnel vooruit duwen. Daar kan zelfs de sterke jongen van 18 jaar niet tegen op. De ogen van Job beginnen te stralen, zo kan hij toch mee doen aan de bomenvangst. En niemand zou het wagen met hem te gaan vechten, hij zit immers in een rolstoel? “'k Moet het wel aan moeder vragen”, zegt hij voorzichtig. Het mag. “Wel goed oppassen hoor, en Job niet in gevaar brengen.” Nog geen vijf minuten later gaan ze weer op stap. “Kijk, daar staat er nog één.” Hopla, daar ligt hij al over de benen van Job. “Duwen”, roept Dick tegen zijn zusje. De rolstoel stuitert bijna over de stoep. Nog vijf keer gaan ze met Job de straat op. Dan zijn er geen bomen meer te bekennen.

Eindelijk is het Driekoningen. Om vijf uur moeten alle bomen naar het grote plein worden gebracht. Kees en Henk gaan vier keer op en neer, de grote jongen en zijn vrienden wel vijf keer. Maar Dick en Jet hebben de meeste bomen, dankzij Job. Ze rijden acht keer met de rolstoel naar het grote plein. Daar liggen na een paar uur zeker 60 bomen. Iedereen wacht vol spanning op het moment dat de eerste wordt aangestoken. Een dikke agent loopt naar voren. In zijn hand heeft hij een paar heel grote lucifers. Hij steekt er ééntje aan en de boom vat meteen vlam. Daarna een andere, en dan weer een. Het plein verandert in een zee van licht. “Wat prachtig”, zegt Job die vlak achter het dranghek zit. “Wel jammer dat het straks weer voorbij is”, verzucht Jet. De grote jongen loopt met zijn handen in zijn broekzak langs Job. “Volgend jaar heb ik de meeste”, zegt hij. Job antwoordt niet, hij weet wel beter.

    • Anneke Visser