Joop Visser: Ik ben mijn eigen pooier

Altijd was hij in taal geïnteresseerd terwijl de muziek ook al vroeg een rol speelde. Zo vierde hij triomfen als student-liedjeszanger. Twintig jaar geleden veranderde hij zijn naam: nu zingt Joop Visser onder meer over zieken en zeevarenden.

“De moeilijkste man van Nederland”, zegt recensent Henk van Gelder over Nederlands onbekendste bekende artiest Joop Visser, die hij tien jaar geleden wegens zijn “boze liedjes over politiek en samenleving”, een 'Stoker op muziek' noemde. Stoker (pseudoniem van Hugo Brandt Corstius) vergeleek in een column in de Volkskrant minister van financiën Ruding met Eichmann.

Afgelopen zaterdag trad Visser op in de Leidse Schouwburg. Behalve nummers van zijn vijf cd's zong hij een groot aantal liedjes die nog niet zijn opgenomen, zoals een lange Bolkestein-ballade. Het refrein begint met een regel die aanvankelijk klinkt als “Luister naar de mussenpraatjes van de leider Bolkestein”, maar tegen het eind van het lied laat de dictie geen misverstand meer toe: “Luister naar de Mussert-praatjes van de leider Bolkestein”, klinkt het dan. Het voornamelijk uit veertigers en vijftigers bestaande, beschaafd ogende Leidse publiek, reageert met applaus.

De vergelijking tussen Joop Visser en Brandt Corstius gaat in meer dan één opzicht op. Ook Visser, geboren in 1938, komt uit een intellectueel vrijzinnig christelijk Utrechts milieu en ook Visser is voor alles een taal-virtuoos. Het gemeenschappelijke kenmerk van al zijn liedjes, of ze nu over de liefde, de dood, de media of de politiek gaan, is dat ze vol zitten met woordspelingen en taalgrappen. Hetzelfde geldt voor zijn nauwelijks bekende kinderboeken De olifant en de muis en De grote schilderijenroof, literatuur van de bovenste plank en niet alleen voor kinderen.

Het imago van een “moeilijk mens” kleeft Visser aan wegens zijn liedjes waarin de media en de politiek het moeten ontgelden en wegens zijn kritische houding tegenover gewichtigdoenerij, macht, effectbejag, of hype. Hij heeft altijd geweigerd concessies te doen aan commercie en publiciteit, die hij beide mijdt als de pest. Behalve in vier winkels (in Haarlem, Amsterdam, Utrecht en Rotterdam), zijn Vissers in eigen beheer gemaakte cd's nergens te krijgen. Wie ze toch wil hebben, kan ze tijdens zijn schaarse optredens kopen of via een postbusnummer in Haarlem bestellen.

Alles doet hij zelf: het schrijven van teksten en muziek, zingen en gitaarbegeleiding, opnemen en produceren van de cd's en ten slotte het klaarmaken voor verzending en het bijhouden van de administratie. Onafhankelijkheid is zijn credo. Voor televisie en radio treedt hij zelden op. Hilversum wilde zijn nummers tot voor kort zelfs niet draaien, maar daar is nu dankzij bemiddeling van de kunstenbond (“echt heel nuttige mensen”) een einde aan gekomen. Visser: “Ik ben mijn eigen pooier. Bij vrouwen wordt dat aangeprezen als ze zelfstandig het beroep uitoefenen, maar in deze wereld krijg je dan meteen de pin op de neus. Ze hebben mij in Hilversum een hele tijd geboycot, omdat ze me niet wilden betalen. Nu is dat veranderd, maar dat heeft de leiding nog niet aan de programmamakers duidelijk gemaakt. Ze geven makkelijker van boven naar beneden dingen door die niet mogen dan dingen die wel mogen.”

Het wachten is nu dus op de eerste dj die Vissers nummers Huilversum (met venijnige uithalen naar alle omroepen) en Hilversum (refrein: ziek, ziek ziek van de Hilversumse kliek) de ether instuurt.

Je zou Visser kunnen verdenken van journalistenhaat als hij de hoernalisten bezingt: De brand die ze verslaan meneer als ze het land ingaan meneer steken ze zelf aan meneer dat noemen ze een baan meneerze hebben geen ethiek meneer geen greintje zelfkritiek meneerverdienen aan paniek en andermans tragiek. De jou-hoe-hoernalisten zo arrogant als god wie niet eerbiedig is die maken ze kapot

Vissers preoccupatie met de journalistiek dateert van lang geleden. In 1973 promoveerde hij in Utrecht op een proefschrift over vijf dorpsbladen in het Oostgroningse Oldambt, waar hij toen als socioloog werkzaam was. Zijn liefde voor taal gaat verder terug. Hoewel een test uitwees dat hij zeer geschikt was voor een bèta-studie ging hij, na het Montessori-lyceum te Zeist, semitische talen studeren. In zijn recente boek Toekomst en zekerheid doet Visser jonge mensen allerlei tips aan de hand om achter hun talenten te komen en op basis daarvan een studie of loopbaan uit te stippelen. Daarbij wijst hij zowel op het belang van wat iemand van jongs af aan droomt, als op het gevaar dat dergelijke dromen kunnen betekenen voor een toekomst-planning.

Zelf was hij als kind vooral in taal geïnteresseerd, terwijl ook de muziek al vroeg een rol speelde. Als scholier had de jongste telg uit het zes kinderen tellende hoogleraarsgezin het niet louter bij gitaarles gelaten, maar zelf liedjes gemaakt. In 1959, hij was toen een 21-jarige corpsstudent te Leiden, kwam zijn eerste plaat uit, gevolgd door vele andere, met klassiek geworden nummers als Ik had een hutje in een bos, Hij was in de wieg gelegd voor cipier, Het ei zei, Er waren twee monniken Hans en Joop, Eendje ga je mee, enz., enz. Dat alles onder de naam Jaap Fischer.

“Het waren voor die tijd opmerkelijke nummers”, schreef collega-zanger Robert Long in 1991. “Enerzijds speels, lief zelfs en aan de andere kant harde en cynische teksten waarmee hij in de wat vooruitstrevende kringen, vooral bij jongeren, zeer populair werd. Ikzelf had toen net mijn eerste gitaar gekregen en wilde ook graag een beroemd artiest worden en ik probeerde dan ook ijverig mijn favoriete stukken van die zingende student na te spelen. Het lied dat ik zo fanatiek beoefende had als refrein: Het was niet uit liefde , het was om je geld.”

De berichten die Long af en toe over zijn idool in kranten tegenkwam, waren altijd merkwaardig. “Het moest een moeilijke, lastige knaap zijn, ongenaakbaar, grillig, tegendraads of juist schuw, angstig en onberekenbaar. Het gerucht ging dat hij zelfmoord zou hebben gepleegd of gestorven zou zijn door een auto-ongeluk.”

Visser onderstreept dat zijn naamsverandering al dateert van 1975. “Het is een repertoire-kwestie. Ik had tien jaar niet opgetreden en ik had geen zin om mijn publiek voor de gek te houden met de suggestie dat ik oude liedjes zou gaan zingen. En zo is het nog steeds. Joop Vissaer zingt voor publiek Joop Visser-repertoire. En een liedje van Kees Stip: Dominee ik ben een zondaar. Joop Visser zingt de laatste twintig jaar voor publiek geen Herman van Veen-, Vader Abraham-, Jules de Corte-, of Jaap Fischer-repertoire meer. Zo simpel is dat. En ik ben voorlopig niet van plan dat te veranderen. Misschien later als ik dement word.”

Met de naamsverandering heeft hij inmiddels bereikt wat hij wilde. Zoals bij de meeste van zijn optredens, kon ook het publiek in Leiden afgelopen zaterdag in de pauze verzoeknummers op een papiertje schrijven. In de rij belangstellenden die met de pen in de aanslag stonden, werd de enkeling die Het ei of De monniken wilde noteren door anderen terechtgewezen met de opmerking: “Dat doet hij al heel lang niet meer”. Het meest in trek bij de Leidse toehoorders waren de nummers van de cd Voor de zieken en zeevarenden. Net als twee jaar geleden op het Boekenbal in Amsterdam, oogstte hij onder een publiek dat waarschijnlijk voor een groot deel bestond uit lezers van de Volkskrant of NRC Handelsblad, veel succes met de bespotting van juist deze kranten. De Volkskrant is “een kutkrant” en wat NRC Handelsblad betreft: Stijlvol sterven doe je bij een ander op de mat / op de dag dat je bezorgd wordt door het NRC Handelsblad. Overigens valt het wel mee met Vissers haat tegen journalisten, wier produkten hij spelt. “Politici en journalisten zijn buitengewoon belangrijk en aan mensen die op de een of andere manier leiding geven, ook aan meningen, moet je hoge eisen stellen.” Vervolgens barst hij los in een tirade over de pers die “handjeplak speelt” met politici. “Want als journalist van een parlementaire redactie in Den Haag moet je de dames en heren politici wel te vriend houden, anders krijg je geen nieuws meer. Zo kan een gevaarlijk hechte samenwerking ontstaan tussen pers en politiek.” Voor enkele journalisten heeft hij bewondering, zoals moge blijken uit een prachtig liedje over Ischa Meijer: De Dikke Man is dood.

Visser zei ooit in een vraaggesprek met Meijer dat er “een grote afstand” zit tussen de liedjes die hij maakt en “de vent” die hij is. Een soort omgekeerde Menno ter Braak dus. Zijn politieke teksten - zijn liedjes over de Hans-Kokaffaire (Ze hebben Kok gestorven onder leiding van Van Thijn]), Pronk (een rooie Streber, een rooie regent) en Bolkestein liegen er niet om. Toch vindt Joop Visser zichzelf niet radicaal. “Ik ben hooguit radicaal in mijn analyse, maar niet in mijn oplossingen. Ik denk niet dat de maatschappij gebaat is bij radicale oplossingen.”

Opmerkelijk begaan is Visser met jongeren, vooral met degenen die weinig kansen hebben. Tot hij kort geleden in een wachtgeldregeling terechtkwam, was hij ruim vijftien jaar met overgave leraar maatschappijleraar aan een een MTS in Santpoort. Zijn onlangs verschenen boek Toekomst en zekerheid, gids voor jonge mensen bevat behalve praktische tips voor pubers die hun toekomst moeten uitstippelen, definities van geluk en van allerlei andere zaken, zoals godsdienst, die het leven kunnen veraangenamen.

Het boek is opgedragen aan M., T. en S. Weliswaar staan die letters voor de namen van zijn kinderen voor wie hij ook zijn andere boeken schreef, maar niet voor niets heeft hij ze nu in deze volgorde geplaatst. De strekking van de gids is dat geluk neerkomt op geen angst of zorgen voor de toekomst en dat “iets hebben of kiezen dat je de moeite waard vindt om te doen de belangrijkste voorwaarde (is) voor geluk”.

    • Elsbeth Etty