JAN WILLEM DDE POUS 1920-1996; Verzoener bij uitnemendheid

Hij gold als de “personificatie van het overlegstelsel” en “de verzoener van tegenstellingen bij uitnemendheid”. Oud-minister dr. J.W. de Pous, die het afgelopen weekeinde op 75-jarige leeftijd overleed, was dan ook niet minder dan ruim twintig jaar voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER). Dat is het belangrijkste adviesorgaan van het kabinet op sociaal-economisch terrein, waarin werkgevers- en werknemersorganisaties alsmede 'onafhankelijke' Kroonleden in openbare, maar vooral in besloten vergaderingen met wisselend succes trachten tot unanieme standpunten te komen.

De SER werd opgericht in 1950 en mag als het meest opvallende instituut worden beschouwd van het Rijnlandse model van overlegeconomie dat in Nederland wordt gehanteerd. Bij het zilveren jubileum in 1975 sprak de toenmalige voorzitter De Pous de wens uit dat de SER in de volgende kwart eeuw een belangrijke bijdrage zou leveren “aan de uitbouw van een samenleving van gelijkwaardige mensen die daaraan samen voortdurend vorm en inhoud geven en bereid zijn met elkaar hiervoor verantwoordelijkheid te dragen. Een samenleving waar gerechtigheid woont”.

Jan Willem de Pous was zoon van een bloemenkweker in Aalsmeer en doorliep in die gemeente de mulo, gevolgd door een HBS-opleiding in Amsterdam. Daarna studeerde hij economie aan de gemeente-universiteit van Amsterdam. In de Tweede Wereldoorlog onderbrak hij deze studie; hij ging werkzaamheden verrichten voor het illegale dagblad Trouw. In 1947 legde De Pous alsnog het doctoraal examen economie af, waarna hij op voordracht van de universiteit nog een fellowship aanvaardde voor een voortzetting van zijn studie in de Verenigde Staten.

Terug in Nederland vervulde De Pous diverse functies in het onderwijs. Ook raakte hij spoedig betrokken bij de overlegeconomie. Hij werd in 1949 secretaris van het Verbond van Protestants-Christelijke Werkgevers in Nederland; van 1953 tot 1959 was hij vervolgens adviseur van deze organisatie. Ook was hij van 1951 tot en met 1958 plaatsvervangend lid van de SER.

Politiek voelde De Pous zich aangetrokken tot de Christelijk Historische Unie (CHU). Maar als man van het midden, zoals hij zichzelf beschouwde, was hij een warm voorstander van een samengaan van de CHU met de ARP. Vele jaren later zouden deze twee protestants-christelijke partijen samen met de rooms-katholieke KVP opgaan in het CDA. Met de politiek kwam De Pous verder in aanraking doordat hij in 1958 lid van de Raad van State werd.

Deze laatste functie zou hij maar kort vervullen; in 1959 werd hij minister van economische zaken in het kabinetDe Quay, een coalitie van KVP, ARP, CHU en VVD. Het was tekenend voor De Pous dat hij er als minister een eer in legde ook tot overeenstemming te komen met oppositiepartij PvdA.

De vondst van de aardgasbel in Groningen was een markante gebeurtenis ten tijde van zijn ministerschap. De Staatsmijnen en de oliemaatschappijen Shell en Esso zochten samenwerking bij de winning en afzet van het gas. De Pous vond dit een zodanig ingrijpende gedachte dat hij besloot een speciale, niet-ambtelijke commissie in te stellen om hem hierover van advies te dienen. Ook was de toenmalige minister nauw betrokken bij de ontwikkeling van de EEG. Toen de Europese Economische Gemeenschap in 1962 het fundament legde voor een gemeenschappelijk landbouwbeleid, sprak De Pous zich uit voor de zogenoemde 'tweede versnelling': uitbreiding van de samenwerking naar het terrein van de industriële produktie.

De Pous was geen politicus-pur-sang; geen man van het politieke theater. Hij weigerde in 1963 op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer te staan. Veelzeggend was dat hij zich zelden liet interviewen. De spaarzame keren dat het wel zo ver kwam werkte hij het 'gesprek' bij voorkeur schriftelijk af.

Het voorzitterschap van de SER leek De Pous op het lijf geschreven. In 1964 kwam het zover en in de jaren die erop volgden, verwierf hij de bijnaam 'Jan Compromis'.

De SER is niet geworden wat De Pous voor ogen stond. Zo sprak hij zich er in 1979 voor uit dat de Tweede Kamer rechtstreeks de bevoegdheid zou moeten krijgen om advies aan de SER te vragen. Ook wenste hij een verplicht en fundamenteel SER-advies bij kabinetsformaties. Deze idealen werden niet verwezenlijkt. De SER kreeg niet de leiding bij de indicatieve planning van het sociaal-economische beleid zoals De Pous dat wenste.

De Pous beschouwde de SER “als belangrijkste democratische schakel in het besluitvormingsproces” van regering en parlement. Hij hanteerde de argumenten die pleitbezorgers van de overlegeconomie ook nu nog aanvoeren. Enge, eenzijdige belangenbehartiging is volgens hen het afschrikwekkende alternatief. Aan die discussie heeft De Pous, die in 1985 als SER-voorzitter vertrok, als gevolg van een ernstige ziekte niet meer kunnen deelnemen.