Het Kruger wildpark gaat over in zwarte handen; Een nijlpaard op de braai

Kruger National Park is een herinnering aan wat Zuid-Afrika ooit was, voor de komst van de Europese kolonisten: van de Kaap tot het noorden van het land was er wild in overvloed. Toch zijn de dieren niet de hoofdattractie. Het urenlang zwerven door de wildernis, zonder veel anderen tegen te komen, is de werkelijke 'bush experience'.

We zijn alleen. De zes nijlpaarden dobberen in de Sabie Rivier. Met alleen hun ogen, neus en oren boven water liggen ze als drijvende tanks in een kring naar elkaar te staren. Ik zit in mijn auto langs de kant en zie door de verrekijker levensgroot hoe de nijlpaarden - koosnaam: hippo's - zich om de beurt onderdompelen om na een paar seconden een fonteintje uit te blazen. Het is een kwartier lang de Afrikaanse bush experience die de folders beloven, alleen met de dieren in de uitgestrekte wildernis van het Kruger National Park.

Dan stoppen drie busjes met Italiaanse toeristen bij de rivier. Ik had ze eerder gezien in het bush-kamp, in hun mooie linnen designer-kleding klaar voor het wild. Iemand roept: “iepo-iepo”, de telelenzen en videocamera's komen tevoorschijn, het zoemt en klikt en de iepo's liggen vast voor het nageslacht. De busjes stuiven weg, er moet vandaag nog olifant, giraffe, neushoorn en liefst leeuw worden gescoord. De nijlpaarden duiken nog eens onder.

Voor de toerist in Zuid-Afrika is het nijlpaard kostbaar fotomateriaal, beschikbaar in het echt dankzij de nobele idealen van de natuurbescherming. Voor veel Zuidafrikanen is een nijlpaard niet iets om naar te staren door een verrekijker. In het vliegtuig op weg naar het Kruger wildpark las ik in de krant het bericht dat het Afrikaans Nationaal Congres en de Inkatha Vrijheidspartij recentelijk op partijbijeenkomsten een nijlpaard hadden geroosterd. Inkatha had het dier op de braai gelegd, het ANC had, zo meldde het verslag, een deel gebruikt voor de traditionele Zuidafrikaanse stoofschotel, de potjiekos. Het roept een vraag op. Als de twee grootste zwarte politieke partijen een nijlpaard geschikt vinden voor de barbecue, en het Kruger wildpark trots in de folders vermeldt dat zijn ecosysteem 2.311 nijlpaarden telt - wat is de betekenis van het park dan eigenlijk? Hoort het wel bij Zuid-Afrika?

Het Krugerpark ligt in het noordoosten van Zuid-Afrika, in het zogeheten laagveld, tegen de grens met Mozambique en Zimbabwe. Het is 350 kilometer van noord tot zuid en tot zestig kilometer breed, en heeft een oppervlakte van bijna twee miljoen hectare. Het park, een van de grotere in de wereld, heeft internationale faam vanwege de verscheidenheid aan vegetatie en diersoorten. Alle belangrijke wildsoorten zijn aanwezig, zoals (volgens de telling van 1993) 97.297 impala's, 29.142 zebra's, 4.902 giraffes, verscheidene soorten antilopen, 1.871 witte neushoorns, 7.834 olifanten, 15.253 buffels, 350 wilde honden en meer dan 1.500 leeuwen.

Hoe imposant de getallen uit het oogpunt van natuurbescherming ook zijn, het park is vooral een herinnering aan wat Zuid-Afrika ooit was, voor de komst van de Europese kolonisten. Van de Kaap tot het verre noorden van het land was er wild in overvloed. De combinatie van geweer en gewin die de Europeanen vanaf de zeventiende eeuw meebrachten, maakte daar in twee eeuwen tijd vrijwel een einde aan. Er had een massale slachting plaats voor voedsel, huiden en ivoor. In het jaar 1855 voerde de Transvaalse republiek, gesticht door de blanke Boeren, naar schatting 90.000 kilogram ivoor uit.

Enkele verlichte geesten begonnen aan het eind van de vorige eeuw het nut in te zien van bescherming van de wildstand. In 1894 besloot de Volksraad van Transvaal tot de aankoop van het eerste reservaat. Dit groeide door de aankoop van een aantal omliggende boerderijen uit tot het nationale park, dat in 1926 officieel werd opgericht. Het kreeg de naam van Paul Kruger, de oud-president van de republiek Transvaal, die volgens de Afrikaner geschiedschrijving de grootste voorvechter was geweest van natuurbescherming. Anderen noemen het een verzinsel, onderdeel van de mythologie van het Afrikaner nationalisme dat uiteindelijk zou uitmonden in de apartheid. “Oom Paul”was het symbool van de Afrikaner trots: met het Krugerpark was Zuid-Afrika immers “een wereldleider in natuurbescherming” geworden. In werkelijkheid ging Krugers betrokkenheid bij de wildstand volgens sommige geschiedschrijvers niet veel verder dan het permanent kauwen van biltong, het gedroogd vlees in repen.

Het woord “nationaal” in de officiële naam Kruger National Park betekende vanaf het begin “blank”. In 1927 kwamen er vier auto's in het Krugerpark. Inkomsten: drie Engelse ponden. In latere jaren werd het Krugerpark het wilduitje voor duizenden verstedelijkte blanken die op zoek gingen naar het kolonistenavontuur van hun voorvaderen. Het kreeg de bijnaam “Boereparadys-de-luxe”. De zwarte Afrikaanse stammen die om het park heen woonden, kwamen aan de andere kant van het hek terecht en zagen niets van de opbrengsten. Zwarten die op het terrein van het Krugerpark woonden, moesten gedwongen verhuizen. Ze mochten er niet meer jagen, zoals ze eeuwenlang hadden gedaan, en hun vee mocht niet meer in het park grazen. Zo ontstond het historisch valse beeld van de zwarte (wilde), vernietiger van de natuur, en de blanke beschermer die “het Zuidafrikaanse Eden” stichtte.

Zwarte Zuidafrikanen hebben het Krugerpark altijd gezien als een speeltuin voor rijke blanken. Weliswaar was het park sinds 1974 geopend voor alle rassen en waren er in de overnachtingskampen “internationale hutten” beschikbaar voor niet-blanken, zwarten kwamen nauwelijks. Door het blanke recreatie-imago en de vaste voertaal (Afrikaans) in het park voelden ze zich er niet thuis. Gedwongen door de nieuwe politieke omstandigheden moet het Krugerpark nu veranderen. Het weet bovendien het waakzaam oog op zich gericht van de politiek bewuste buitenlandse toerist, die als vakantiethema vaak de vraag meebrengt: is Zuid-Afrika zichtbaar veranderd?

“Het Krugerpark kan altijd een topattractie blijven voor Zuid-Afrika”, meent directeur Harold Braack, die over meer land regeert dan de president van Israel. “Maar dan moeten we er wel voor zorgen dat alle Zuidafrikanen erbij betrokken raken. Ze moeten trots zijn op hun nationale park. Alleen dan kunnen we overleven.” Het park heeft een aantal initiatieven genomen om van zijn eilandstatus af te komen. Omliggende zwarte stammen hebben een eigen kwekerij in het park gekregen voor medicinale planten. De toeristenwinkels in het park verkopen souvenirs en kunstwerken die zwarten in de omgeving maken. Zwarte schoolklassen krijgen gratis toegang, en het park leidt zwarte gidsen op om toeristen rond te leiden. En het bestuur van het park is in gesprek met zwarte gemeenschappen, die een gebied aan de westgrens zelf willen gaan exploiteren, met eigen bungalows voor toeristen.

De verandering is een politieke noodzaak. De nieuwe regering erkent de waarde van het Krugerpark voor het toerisme, maar binnen het ANC zijn al eens stemmen opgegaan om delen ervan beschikbaar te stellen voor zwarten die er hun vee willen laten grazen. Natuurbeschermers gruwen bij de gedachte. Ook het personeelsbeleid is aangepast aan de nieuwe tijden. Vrijwel al het leidinggevende personeel, de vee-artsen, wetenschappers en parkwachters, zijn blank. Het Krugerpark was altijd het domein van de blanke, Afrikaans-sprekende man. Die is nu zelf een bedreigde soort geworden. Op belangrijke posten in het park worden zwarten aangesteld, tot gemor van de oude garde. De inspanningen hebben resultaat, beweert de parkleiding. De meeste dagjestoeristen in het weekeinde zijn nu zwarte Zuidafrikanen. Chris van der Linde, woordvoerder of skakelbeampte van het Krugerpark, juicht het toe, maar constateert wel een botsing van culturen. “De zwarte bezoeker heeft een ander idee van ontspanning. Hij neemt zijn radio mee en een hoop drank, gaat bij een van de rustkampen in het gras zitten en bouwt de hele dag luidruchtig een feestje. Ik heb er geen probleem mee, dat is zijn stijl van leven. Maar het botst met onze blanke bezoeker, die vooral voor zijn rust komt. Schrijf dit alsjeblieft subtiel op, ik wil niet dat het een raciale ondertoon heeft. Wij moeten de mensen een beetje opvoeden. Ook de blanken, want die moeten leren wat verdraagzamer te worden tegenover anderen.”

We hebben er één geschoten”, meldt de krakende stem vanuit de helicopter. “De moeder ligt op de grond. Kijk uit, er is een kalf bij van drie jaar oud.” Het is zes uur in de ochtend, adrenaline-tijd. De parkwachter scheurt in de hoogste versnelling met de landrover dwars door de bush, in de richting van de plaats waar de neushoorn moet liggen. Hij plet tientallen struiken en boompjes.

Op een open plek in de bush ligt de verdoofde neushoorn. Het kalf staat ernaast, lang niet zo klein als de naam suggereert. Het lijkt klaar om de auto aan te vallen, maar bedenkt zich wanneer de parkwachter wild toeterend op het dier afstormt. Het kalf wordt verjaagd, met hulp van de laaghangende helicopter - Apocalypse Now in het dierenrijk. Het kalf is oud genoeg om zonder moeder te overleven, zegt de vee-arts. De neushoorn krijgt een spuitje om half-verdwaasd weer op de been te komen. Twintig mannen trekken haar overeind en slepen haar naar het metalen krat, waar ze langzaam in schuifelt. Het krat gaat dicht, en wordt op de truck gehesen. De neushoorn is klaar voor verscheping.

De toerist krijgt het niet te zien, maar achter het decor van de wildernis gaat een wereld schuil van stoere mannen in khaki die verantwoordelijk zijn voor natuurbeheer en soms handel. In een paar uur vangen ze twee witte neushoorns die het Krugerpark met een privé-wildpark ruilt met een aantal gemsbokken, een antilope-soort. De gemsbokken worden uitgezet in een nieuw park in Noord-Transvaal. Het zijn operaties als deze waar dierenbeschermingsgroepen grote vraagtekens bij plaatsen. Ze vallen het Krugerpark vooral aan over het jaarlijkse afschieten van grote groepen olifanten. Olifanten eten en drinken zo veel, dat ze volgens de parkleiding boven het huidige aantal het evenwicht in het park verstoren. Verhuizing van olifanten naar privé-wildparken of dierentuinen biedt nauwelijks verlichting. Daarom schiet het Krugerpark jaarlijks 300 tot 600 olifanten af, die in het eigen abattoir worden verwerkt. Huiden en ivoor worden opgeslagen. In een daad van ongekende openheid stond de parkleiding vorig jaar filmploegen toe de slachting te registreren. Hoe wetenschappelijk verantwoord de argumenten ook klonken, het aanzicht van dode baby-olifantjes die bezwijken naast hun dode moeder deed het imago van het park geen goed.

“Wij bewaren hier geen dieren, wij bewaren hier een totaal ecosysteem”, zegt de veearts Kobus Raath, hoofd van onderzoek en wildvang in het park. “Wij geloven in een minimum-inmenging. Maar met de olifanten kunnen we nergens heen. De olifant heeft geen natuurlijke vijanden en er zijn geen ziektes die de groei van de populatie beperken. Als er te veel olifanten komen, bedreigen ze andere dier- en plantensoorten die net zo veel recht hebben om hier te leven als de olifant.” Dieren-actiegroepen beweren echter dat het Krugerpark wel 20.000 olifanten kan hebben. Raath: “Dat zou betekenen dat we er 1.600 per jaar moeten afschieten. Niemand vertelt mij hoe we dat moeten doen.”

Het afschieten van olifanten is volgens Raath het resultaat van de professionele natuurbewaringsmethodes. “Er is niet één park ter wereld dat zo wetenschappelijk wordt beheerd. Onze aanpak heeft ertoe geleid dat we niet voldoende habitat meer hebben voor onze olifanten. Nu vallen andere landen ons aan, die geen olifanten hoeven af te schieten omdat ze zoveel stroperij toelaten. Wij hebben goed op onze olifanten gelet, en nu zijn wij de schuldigen!”

Tijdens een rit van vijf uur door het zuidelijke deel van het park ontmoet ik twee kuddes olifanten. Als ze op 25 meter afstand in colonne de weg oversteken, begrijp je regel één van het park: kom nooit de auto uit. Ik zie onder meer giraffes, zebra's, een leeuwin, buffels en impala-baby's die over de weg huppelen. Toch zijn de dieren niet de hoofdattractie. Het urenlang zwerven door de uitgestrekte wildernis zonder veel anderen tegen te komen, is de werkelijke belevenis. Zelfs met de enorme toestroom van buitenlandse toeristen, die in een vakantie meestal de hoogtepunten de Kaap, het Krugerpark en de Victoria watervallen in Zimbabwe aandoen, overschrijdt het aantal bezoekers per dag de 8.500 niet. De asfaltwegen, de bush-kampen, een colablikje in de berm en af en toe een auto zijn de enige zichtbare gevolgen van menselijke inmenging. Na drie dagen verlaat ik het Krugerpark met het juiste gevoel. Ik was een indringer.

Kruger National Park

De toerist kan het Krugerpark via georganiseerde reizen bezoeken, maar zonder veel moeite ook zelf verkennen. Vanuit Johannesburg gaan dagelijks vluchten naar Skukuza, het grootste bush-kamp in het park. Daar kan men een auto huren. De rit per auto vanuit Johannesburg duurt ongeveer vijf uur.

Overnachten

Het park heeft goed uitgeruste kampen, waar ongeveer vierduizend mensen in bungalows of in tenten kunnen overnachten. Een eenpersoonsbungalow in Skukuza kost 230 rand (ruim honderd gulden) per nacht, kamperen is veel goedkoper. Het is mogelijk slaapplaatsen in bijvoorbeeld drie verschillende kampen te boeken, zodat de toerist in drie dagen van zuid naar noord kan trekken. De hekken van het Krugerpark gaan rond zonsondergang dicht. Wie dan niet het park heeft verlaten of in een kamp is neergestreken, kan een boete krijgen.

Game drives

De grotere kampen organiseren ochtend- en nachtritten voor groepen. De luxe-toeristen gaan meestal naar een van de privé-parken die aan het Krugerpark grenzen en waar een nacht met volledige verzorging duizend gulden per persoon kan kosten. Daarbij is de 'Big Five' (olifant, neushoorn, leeuw, luipaard en buffel) vrijwel zeker inbegrepen - op een kleinere oppervlakte is de kans om alle dieren te zien veel groter.

Looptochten

Zeer populair zijn de looptochten door het Krugerpark, de Wildernis Trails. Een kleine groep toeristen trekt onder begeleiding van een parkwachter een week te voet door het park. Voor deze tochten moet men een jaar tevoren reserveren bij de National Parks Board, P.O. Box 787, Pretoria 0001. Telefoon 00-27-12-3431991, fax 00-27-12-3430905.

Literatuur

Boeken die de reis begrijpelijk maken zijn 'Kruger National Park, a Visitor's Guide' door Leo Braack, 'Kruger National Park, Questions and Answers' door P.F. Fourie en 'The Kruger National Park, a Social and Political History' door Jane Carruthers. De eerste twee boeken zijn in het park te koop, het derde mogelijk in de boekhandel.

    • Peter ter Horst