Het eiland Rügen na de Wende; Koningin van de Oostzee 's

Winters is het stil en verlaten op Rügen. De prachtige huizen in de vriendelijke badplaatsjes zijn verveloos. Met de Wende verdween het massatoerisme, en verscheen de werkeloosheid. De Oostduitse toerist, die eindelijk naar het westen mocht, maakte plaats voor de Westduitser, nieuwsgierig naar de 'neue Bundesländer'. Nu, vijf jaar na de hereniging, keert de Oostduitse toerist weer terug. De vis smaakt goed, het pension is kraakhelder. En de sfeer van de oude badplaats is intact gebleven.

Vanaf de zeepier gezien is het net Les vacances de Monsieur Hulot in de winter. Een zandstrand, een Kurhaus met muziekpaviljoen, een verstilde zeeboulevard, witte villa's met balkons vol sierlijk houtsnijwerk, een kerstboom met sneeuw op de takken. Twee dik ingepakte ventjes komen als pinguïns de pier opwaggelen. Het is stil, alleen de zee brult. De badplaats Binz op het eiland Rügen oogt vriendelijk en vergeten. Jaren vijftig.

Een tweede blik toont het verval. Het Kurhaus is tot nader order gesloten en achter de stoffige ramen gaapt een karig DDR-interieur. De huizen langs de boulevard zijn prachtig, maar verveloos, leeg of in de steigers. Villa Undine, Seeblick of Dünenhof, de ene parel naast de andere, “aber die (Eigentums)verhältnisse, die sind nicht so”, om met Bertolt Brecht te spreken. De gemeente Binz (7.000 inwoners) worstelt, via de Treuhand, die het staatseigendom van voorheen de DDR van de hand doet, nog met de vroegere huiseigenaars. Zo ongeveer de helft van alle eigendomskwesties is inmiddels opgelost, zegt de burgemeester. Maar dat kost tijd en in die tijd schrijdt het verval gestaag voort.

Toch laat een wandeling door de hoofdstraat zien dat men niet stilgezeten heeft. Keurige winkels, nette hotels, een pizzeria, banken, een drugstore, alles als overal elders, terwijl, oh wonder, de sfeer van de oude badplaats intact is gebleven. Zelfs de houten zeepier is weer in ere hersteld en 's avonds lokken de lichtjes van de kerstboom op het plein. Het komt wel goed met Binz.

Het eiland Rügen ligt tegenover de Hanzestad Stralsund in de Oostzee, niet ver van de Pools-Duitse grens. Het is het landschap van Theodor Fontane, die zijn jeugd doorbracht in zijn vaders apothekershuis in het Oostzeegat Swinemünde. Rügen heeft een grillige kustlijn, krijtrotsen, zandstranden, heuvels, fraaie bomenlanen, ouderwetse badplaatsjes en vele binnenmeren (Bodden), wier spiegelgladde wateroppervlak fraai contrasteert met de ruige branding van de zee. Overal zie je water.

Tot aan de Tweede Wereldoorlog bestond hier een levendige badcultuur. In de oorlog werden op Rügen massaal kinderen ondergebracht uit Bombengefährdete steden. Na de oorlog kwamen de vluchtelingen uit de door Russen en Polen geannexeerde Pommerse achterlanden. De DDR bracht zijn eigen massatoerisme met zich mee: de vakbond FDGB (Freie Deutsche Gewerkschaft Bund) vulde moeiteloos en volgens plan de vele vakantiehuizen. Vierenzestig mark voor twee weken all-in. Met de Wende verdween de Oostduitse toerist, die zijn nieuwsgierige schreden eindelijk naar het westen richten kon. Hij werd opgevolgd door de Westduitser die nu juist de 'neue Bundesländer' moest verkennen. Maar de balans begint zich langzaam te herstellen. Vijf jaar na de hereniging keert de Oostduitse toerist weer terug naar de Heimat.

Drie doelen heeft burgemeester Reinhardt van Binz zich gesteld. Hij wil de 610 woningzoekenden van de stad aan een huis helpen (“Zoals sommigen hier moeten wonen, daar kunt u zich geen voorstelling van maken!”). Hij wil de badarchitectuur beschermen: huizen mogen niet afgebroken worden en architecten moeten zich aan strenge bouwregels houden. En hij wil van Binz een 'Seeheilbad' maken. Dat moet ervoor zorgen dat de hotels het hele jaar door vol zijn. Dan hoeven de seizoenarbeiders, die nu alleen 's zomers werk hebben, 's winters niet van de bedeling te leven. Vóór de Wende was er op Rügen geen werkloosheid, zegt Reinhardt. Dankzij het gegarandeerde massatoerisme en de constante aanwezigheid van 15 à 20.000 soldaten op het eiland was er altijd werk in overvloed. Van het regiment dat gedetacheerd was in de monsterlijke barakken bij het dorp Prora, ooit door Hitler gepland als vakantieverblijven voor de nazi-organisatie Kraft durch Freude, zijn zegge en schrijven dertig soldaten overgebleven, als bemanning van een radarpost. Daar staat tegenover dat er nu veel werk is in de bouw. Alleen al in Binz zijn veertig nieuwe bouwbedrijven en het toerisme biedt aan duizend inwoners een baan.

Johann Brückner (30) is één van die duizend. Als bedrijfsleider van restaurant Grand aan de Zeeboulevard (voor DM 35,- een voortreffelijke maaltijd, vissoep, zander met broccoli, wijn inbegrepen) heeft hij ook 's winters werk. 's Zomers is Binz vol, zegt hij. Driekwart van de toeristen komt uit West-Duitsland, een kwart komt uit het oosten. En het aantal bezoekers groeit gestaag.

Het gaat Brückner voor de wind, maar ook met de DDR heeft hij nooit moeite gehad. “Nu kun je kopen wat je wilt, maar je moet er wel harder voor werken. Vroeger was alles armer, dat wel. Maar dat het vroeger saaier was, kan ik niet zeggen. Een Westduitser is klein in zijn denken. Hij denkt niet verder dan tot zijn huisdeur. Hier kijkt men over het tuinhekje heen, al kun je vaak niet veel voor elkaar doen. En dat met die muur, ach, dat heeft mij nooit zo gestoord.” Hoewel ik vanavond de enige gast ben in restaurant Grand, loopt de zaak 's zomers als een trein, zegt Brückner. Zo goed dat zijn baas dit jaar het negentiende-eeuwse slot Spyker heeft kunnen kopen, dat aan een van Rügens binnenmeren ligt. Hij verbouwde het tot slot-hotel en in juli gingen de deuren open. Dat is geen eenvoudige klus geweest, zegt Brückner, maar voor de details verwijst hij naar zijn baas. “In de DDR had je relaties nodig, maar ook nu kun je beslist niet zonder”, zegt hij glimlachend, terwijl hij me op het hart drukt beslist het pronkjuweel van de nieuwe ondernemer te gaan bezichtigen.

Iets ten zuiden van Binz ligt het badplaatsje Sellin. Het is er woest en ledig. Aan de Wilhelm (voorheen Pieck) Strasse staat pension Ingeborg. Wit houtsnijwerk, opengewerkte balkons, keurig in de verf. Hier zwaait Frau Elisabeth Schild de scepter. Ook hier zijn geen gasten, de familie Schild gebruikt de winter om op te knappen voor het nieuwe seizoen.

Elisabeth stamt uit Königsberg, dat in 1945 door de Russen totaal met de grond gelijk gemaakt werd en sindsdien bij de Sovjet-Unie hoort. Als veertienjarig meisje vluchtte ze met moeder en zes broertjes en zusjes via Stettin, Danzig en Stralsund naar Rügen. Te voet, met de paardewagen en met de trein. Ze is nooit teruggeweest naar Königsberg. Pas in 1976 kreeg de familie officieel bericht dat haar achtergebleven vader was overleden.

Pension Ingeborg dateert van 1908. Schild kwam er in 1947 werken bij de Zweedse eigenaresse. Tot 1951 stuurde de vakbond de gasten, daarna werd het een vakantieoord voor zwangere vrouwen. In 1953 vond de beruchte Aktion Rose plaats: alle huizen die meer dan DM 30.000,- waard waren, werden van de ene dag op de andere onteigend. De 72-jarige eigenaresse werd gearresteerd. Haar boekhouder, Günther Schild, de toekomstige man van Elisabeth, kreeg haar na vier weken soebatten weer vrij. Een jaar later kreeg de Zweedse haar pension terug, waar in de tussentijd militairen waren ingekwartierd. Na de dood van de Zweedse erfde Elisabeth pension Ingeborg. Als Günther over de Wende praat krijgt hij de tranen in zijn ogen. Tweeënzeventig is hij nu en voor hem is het allemaal te laat gekomen. “Wat we niet allemaal met het huis hadden kunnen doen! Ik heb mijn hele leven overal om moeten vechten. Je werd in alles tegengewerkt. In 1951 is een vriend van me doodgeschoten in de August Bebelstraat omdat hij 'von der Linie' afgeweken was.” In 1955 heeft Günther zelf nog even in een Stasikelder in het stadje Putbus opgesloten gezeten omdat hij niet was gaan stemmen. Daarna werd hij vijf jaar lang als 'Regimegegner' geschaduwd. Hij kwam zijn schim laatst op een bijeenkomst tegen. Nee, aangesproken heeft hij hem niet. De man had zijn gezin bij zich. “Je moet de mensen niet in verlegenheid brengen”, zegt Günther. Hij droogt zijn tranen en zet zijn grote bril weer op.

Ook Elisabeth betreurt het dat de Wende zo laat gekomen is, maar zij is een nuchter type. Gedane zaken nemen geen keer. Er is werk te doen. 's Zomers is pension Ingeborg volgeboekt. De kamers zijn sober en netjes, van DM 35,- tot DM 60,- per persoon per nacht, met ontbijt. Er zijn al heel wat vaste gasten, uit oost en west.

Elisabeth Schild maakt geen verschil tussen Ossis en Wessis. “De meeste Wessis snappen het wel. Ook zij hebben per slot van rekening de oorlog verloren. Voor jonge mensen hier is het hard geweest, de afgelopen jaren. Zij hebben geen herinneringen, ze zijn door de DDR gevormd, wij weten nog hoe het vroeger was. Na de oorlog werd er niets heropgebouwd, ze lieten alles op zijn beloop. Je werd op den duur immuun voor het verval, je zag het niet meer. Dat alles zo goedkoop was, was nu juist het probleem. Je kon niks onderhouden. Nee, feitelijk gaat het iedereen nu beter. Als je mensen hoort klagen dan belazeren ze je. Ik wou dat ik nog dertig was...” Verder zuidwaarts rijd ik het schiereiland Mönchgut op, dat bereikbaar is met een oude stoomtrein. Het is genoemd naar de orde der Cisterciënsers, die zich hier in de dertiende eeuw vestigde. De monniken hebben, zoals meestal, de mooiste plekjes van het eiland gekozen. Hobbelige bomenlanen (de beroemde 'Deutsche Alleenstrassen', die inmiddels op de monumentenlijst staan) voeren door lichtbesneeuwd heuvellandschap. Ik passeer een paar mooie dorpjes met stevige boerderijen met rieten daken. De huizen zijn goed onderhouden. Er is bijna geen verkeer op de weg, die doodloopt in het vissersdorp Thiessow. De vierhonderd inwoners leven nog steeds van de visvangst. Maar het is winter en de vissers zitten binnen. Wat doen de vissers? Zij boeten netten.

Ook Martin Pretzel (62) komt uit Hinterpommern, uit het dorp Nest. Zijn vader was bij de Landsturm en vluchtte in 1945 voor de Russen. Het gezin bleef steken. Eerst kwamen de Russen en toen de Polen. Het was een zware tijd. Hij maakt er weinig woorden aan vuil. Als veertienjarige jongen werkte Martin al in de visserij. In 1947 werd het gezin 'ausgesiedelt'. Het is het vluchtverhaal van velen uit Pommeren, zoals door Christian von Krockow beschreven in Die Stunde der Frauen.

Martin spoelde aan op Rügen en werd visser. Hij kocht voor DM 80.000,- een boot. Maar in de DDR moest iedereen lid worden van de Genossenschaft. Omdat Martin voorzitter werd, oefenden de autoriteiten druk op hem uit om zijn boot aan het collectief af te staan. Hij moest immers het goede voorbeeld geven. Maar hij verdomde het en zijn grote familie, die in de Genossenschaft de meerderheid had, stemde tegen. Dus kwamen zij te boek te staan als Type-1-vissers. Dat waren de lui met een verstokte eigendomsmentaliteit. Martin tilde er niet zo zwaar aan. “Dat was de categorie met het laagste aanzien, je kreeg geen ondersteuning van de staat. Ach, je werd een beetje murw gemaakt, maar wij waren harde werkers en ze hebben ons dus betrekkelijk ongemoeid gelaten.”

Dan had je nog vissers van het type 2. Die hechtten kennelijk niet zo aan privébezit. Vroeger vingen de vissers van Thiessow honderd ton vis per jaar. Het DDR-regime bracht het quotum terug tot dertig ton. Dat vonden de Type-2-vissers prachtig, zegt Martin lachend. “Zij hadden meteen hun hele hebben en houden aan de staat afgestaan en vonden het reuze makkelijk. Het waren de luiwammesen van het dorp. Ik zeg altijd: jullie mogen Erich Honecker de hand wel kussen! Na de Wende hebben zij al het geld verkwanseld dat ze gekregen hebben en ook direct van de mogelijkheid gebruik gemaakt om met vervroegd pensioen te gaan. Van de vierhonderd inwoners in Thiessow zijn er nu honderd gepensioneerd. Ik begrijp die mentaliteit niet.” We lopen naar de loods waar de leden van Pretzels Genossenschaft de netten zitten te repareren. Twee zoons, een buurman, het is een kleine gemeenschap. Zwijgend zitten ze te rijgen, terwijl de kachel snort. Tegen de muur geleund staat een oude visser met pet en indrukwekkende grijze bakkebaarden. Tegen de achtergrond van de stapel netten vormt hij een prachtig plaatje voor de toeristen. “Dat was een type-2”, vertrouwt Martin me toe als we even later naar het haventje lopen. “Vijfenvijftig jaar en voert geen flikker uit! De vissers hier zijn lui en drinken te veel schnapps. Ik wil doorvissen tot mijn vijfenzestigste, al heeft de dokter het me vanwege mijn hart verboden.”

Pretzel is blij met de toeristen, die brengen tenminste wat leven in de brouwerij. “De mensen hier zijn zo conservatief, alles gaat van vader op zoon en niemand wijkt eens van de gebaande paden af.” Trots wijst de visser op zijn boot, waar hij zelf nog aan heeft meegebouwd. Het is de enige ijzeren schuit van de vloot, de rest zijn kleine houten bootjes met kajuitjes die eruit zien alsof ze bij het eerste stormpje bakzeil zullen halen. Op de boten een gewemel van rode vlaggetjes om de netten in zee te markeren. In een hal staan de visverwerkingsmachines, die de Genossenschaft zelf heeft geïnstalleerd. De vrouwen staan hier 's zomers acht tot twaalf uur aan de lopende band haring te sorteren.

Ook Martin is blij met de Wende. “We zijn nu natuurlijk veel vrijer geworden. Vroeger moest je je altijd bij de kustwacht melden als je de zee opging. Je familie mocht nooit mee. Je zou hem eens kunnen smeren!” Wel heeft zijn collectief DM 180.000 verloren in de overgangsperikelen. Het is de rekening voor een partij vis die door Rusland nooit is betaald. Pretzel kan goed rondkomen, al is het geen vetpot. Maar er zijn Hollandse kapers op de kust: volgende week gaat hij naar Schwerin om namens de Genossenschaft bij de landsregering te protesteren tegen de bouw van een Hollandse visverwerkingsfabriek in de havenstad Sassnitz op Rügen. De komst van de Hollanders met hun grote boten maakt hem wantrouwig. Nog is er bij Rügen aan haring geen gebrek.

Van het uiterste zuiden rijd ik naar het hoge noorden van het eiland. Hier zijn de krijtrotsen, het spektakel van Rügen. Op de Königsstuhl, waar de decemberwind je de adem beneemt, kijk je langs de witte wanden zo honderdvijftig meter de diepte in. In de zomer komen hier tienduizenden mensen, nu ben ik alleen, met een zwijgzame ex-soldaat, die tot mijn verbazing een onooglijk snoepstalletje bemant. Op zee vaart een rode veerboot naar Zweden. Ik dwaal verder langs 's Heren wegen en ga op zoek naar slot-hotel Spyker. Het oogt als een bloedrood geverfd bastion met vier ronde torens. De eigenaar is er niet. Ik word ontvangen door de dertigjarige bedrijfsleider Uwe Scherf. Gasten zijn niet te ontdekken, maar Scherf speelt zijn rol toch met verve. Modern achterovergekamd haar, fijn snorretje, zwart kostuum met vlinderdasje, op en top de gentleman, en geen sterveling te bekennen om hem bewonderend gade te slaan. De telefoon weerkaatst door de lege ontvangsthal. In de salon is het empire wat de klok slaat, en gestreept behang van zijde. De schilderijen zijn niet echt, de suites bieden uitzicht op het stille meer.

Scherf heeft de hotelvakschool in Leipzig gedaan en is op eigen initiatief met zijn jonge vrouw naar Rügen verhuisd. Via zijn baas kreeg hij een simpele nieuwbouwwoning. Rügen trok hem aan, zegt hij dapper, maar 's winters is het wel eenzaam hier. De bleke jongeling ziet er niet uit of hij hier gaat aarden, tussen de stugge noorderlingen en de vissers. “Alles gaat hier wel veel trager”, zegt hij aarzelend en hij heeft duidelijk heimwee naar de lichtstad Leipzig.

Het enige stadje met allure op Rügen is Putbus, maar het is een vreemde allure. Het is de verwezenlijkte droom van vorst Wilhelm Malte I en dateert uit 1820. Het is een wonderlijk oord. Rond een buitenproportioneel groot rond plein met bomenrijen staan witte classicistische huizen. Iets verderop is een iets kleiner plein met een carrévorm. Het geruïneerde vorstelijke slot is door de DDR-autoriteiten in 1953 opgeruimd, maar het grote park, de orangerie, het badhuis zijn nog aanwezig. Alles in Putbus is op Pruisische pronk en praal gericht, maar de vorsten zijn verdwenen en de ooit door vorst Malte verplicht gestelde witte verf bladdert van de huizen. Op een winterse dag lijkt het nog het meest op een afgedankt decor na de laatste voorstelling. Maar de architectuur is nog intact en het doek kan zo weer worden opgehaald. Dat geldt voor heel Rügen, de 'koningin van de Oostzee'.

Ik verlaat Rügen per trein, via de dam die het eiland met het vasteland verbindt. De sneeuw stuift over het baanvak. De populierenlanen slingeren zich door het landschap. Langs de spoorlijn staat roerloos een rode vos, een poot afwachtend opgeheven. Door de grauwe lucht cirkelt een bruine buizerd. Via Stralsund en Rostock sjokt de trein langs de Oostzee naar Hamburg. Daar begint het grote leven weer, daar raast de haven met zijn kranen en containers. Na Hamburg hervat de trein zijn westers tempo.

    • Laura Starink