Het dwaalspoor van de wolf; Werkvakantie in Polen

Zodra de oranje Wartburg van Wojciech Smietana (29) de Karpaten binnenrijdt, steekt een wolf de weg over. Hij trippelt over het asfalt en houdt aan de overkant stil naast een klein meisje. De wolf kijkt recht in de voorruit, met zijn scheve, zachte ogen die meer bij een kat- dan bij een hondachtige lijken te horen. “Het is geen wolf, maar een wolfshond,” zegt Smietana in zijn zachte Engels, “het kind van een hond en een wolf. Wolven en honden staan genetisch heel dicht bij elkaar. Zelfs een wolf en een teckel kunnen in principe kinderen krijgen.” We rijden door, tussen glooiende velden en kleine bossen leidt de weg van dorp naar dorp.

Waarom lijkt het landschap in Oost-Europa toch altijd minder fris, minder fel van kleur dan in het Westen? Het is alsof de natuur weet heeft van de geschiedenis, en veertig jaar communisme ook over bos en veld een grauwsluier heeft getrokken. Als het landschap onbewoonder en woester wordt, blijft het somber. Dit zijn de Alpen niet, dit is de Bieszczady, het zuidelijke puntje van Polen dat de Oekraïne insteekt. De sneeuw wist de bedrukte indruk uit. Naarmate we hoger stijgen, ook weer niet zo hoog, want de hoogste berg is hier maar 1346 meter, wordt alles witter. Vorige week was het hier min 20 en is er een dik pak sneeuw gevallen. Nu is het slechts min 5, maar door de berijpte bomen en bevroren watervallen ziet het er veel kouder uit.

Smietana manoeuvreert de Wartburg tussen met ijs gevulde gaten in het wegdek door en dan zijn we er, tussen een berg en een beek, bij het hotel van het Nationale Park in het hart van de Bieszczady, een langgerekte betonnen doos met sobere, comfortabele kamers, zoals de reisorganisatie had beloofd. Geen telefoon, geen televisie, dit is het begin van de wildernis. 's Nachts zoemt de verwarmingsinstallatie zo hard dat de beek niet te horen is.

Een paar kamers heeft Smietana ingericht als huis. In de keuken staat een maaltijd klaar. “Vannacht is het hele dorp opgeschrikt door een berin,” zegt Smietana. Hij belegt nog een grijze boterham. Wie de hele dag door het bos loopt, moet goed eten. “Ze krijste zo hard dat iedereen wakker werd.” Hij zegt het op de toon van iemand die voor de vierde keer een roodborstje in zijn tuin ziet. Het blijft leuk, maar bijzonder is het niet meer, het zal nog wel een keer gebeuren.

Het dorp is Ustrzyke Gorne, een paar kilometer verderop. Smietana woont dichter bij Zatwarnica, waar je brood kunt kopen, waar een bushalte is en de paarden een bontvachtje dragen. De beer was er niet te horen. Maar ook hier zijn vannacht dieren geweest. “Toen ik vanochtend naar de beek liep, zag ik sporen,” vertelt Mazjena, Smietana's vrouw. “Wolven. Een stuk of drie.”

Jan van Seventer (24) neemt ook nog een boterham. Eigenlijk wil hij liever naar buiten. Hij en zijn vrouw Karin zijn nu voor de tweede keer in de Bieszczady, maar nog steeds hebben ze geen wolf gezien. “Hoe laat vertrekken we morgenochtend?” wil Jan weten. Toen hij en Karin hier in september waren stonden ze elke ochtend op vier uur op om de edelherten te zien bronsten. In de schemering heb je de meeste kans om dieren te zien.

Biesz betekent duivel, czady is het meervoud van trol. Er wonen in dit gebergte veel dieren, hazen en vossen, herten en elanden, wisenten en wilde zwijnen. Opmerkelijk is het grote aantal roofdieren: lynxen, beren en wolven. De wolfdichtheid van de Bieszcady is een van de hoogste ter wereld. De kern van het gebied is sinds 1973 een nationaal park van 270 km2. In de hele Bieszcady leven waarschijnlijk zo'n honderd wolven. In en om het park hebben vijf wolvenroedels van op z'n hoogst vijf dieren hun territorium.

Jan en Karin zijn niet met vakantie in de Bieszcady. Wojciech Smietana is geen gids. Hij is bioloog. Al vijf jaar onderzoekt hij hier wolven. Een week lang krijgt hij daarbij assistentie van de Nederlanders, ook al zijn zij geen biologen. Maar ook belastingconsulenten en administratief medewerkers kunnen als 'ecovrijwilligers' spoorzoeken en poep verzamelen. 'Alleen mensen met doofheid of sterk overgewicht kunnen bij deelname aan dit project problemen ondervinden,' schrijft de folder van de Nederlandse reisorganisatie Wolftrail.Het is al donker (het is hier om vier uur 's middags al donker), maar toch gaan we nog even naar buiten. Met zijn zaklamp vindt Smietana de wolvesporen. We volgen ze over een brug, een omgewaaide boom, een roedel rotsblokken. “Voor de oorlog zijn hier door wolven twee mensen opgegeten,” zegt Smietana, niet nu, maar nu denk ik eraan. “Een soldaat en een postbode. Van de soldaat waren alleen zijn laarzen nog over. De postbode was geheel verslonden; alleen zijn postzak was onaangetast. De brieven konden nog bezorgd worden.” Of het waar is? Smietana haalt zijn schouders op. Zijn dochtertje lijkt op Roodkapje.

Het is stil in het bos, tenminste zolang mensen de sneeuw doen knerpen en de takken doen kraken. Dan stopt Smietana al zijn bewegingen. Wij ook. Zie ik ogen opgloeien? Elke rots is een wolf, elke boom een beer. Ergens in het bos moet een café zijn, met een terras ervoor, en daar zitten, hoe vreemd dat ook is in deze kou, mensen te praten. Alleen zo kan ik het geroezemoes van het bos interpreteren. Plotseling is er geluid dichtbij. Ik draai me om. Smietana heeft zijn handen naar zijn mond gebracht. Hij stort zijn longen leeg, oehoeoeoeoe, een beter onomatopee is niet voor handen. Oehoe, klinkt het antwoord. Het is geen wolf, maar een Oeral-uil. Smietana probeert het weer. Opnieuw antwoordt de uil.

We mogen weer praten. “Gek,” zegt Jan. “Als ik hier alleen of met Karin zou lopen, was ik bang geweest. Nu doet het me niets.” Smietana is alweer vooruit gelopen. Met onze angst op zijn schouders volgt hij het spoor van de wolven. mietana neemt een andere weg dan gisteren. Langzaam rijdt de Wartburg langs een beek. “Ik heb hier vaak prooiresten gevonden,” zegt de bioloog. “Wolven drijven hun prooi meestal in een beek of ravijn, waar het geen kant meer uitkan.” Het is half tien en we stappen uit. In de rugzakken zit ons tweede ontbijt, zoals de Polen een vroege lunch noemen. Jan en Karin hangen hun verrekijker en fototoestel om. Smietana geeft ons een gefotokopieerd boekje. Het is zondag 3 december, de eerste werkdag van deze vakantie.

Om de instructie te vergemakkelijken staan er al na een paar meter sporen op het besneeuwde pad. Smietana geeft Karin een centimeter. Jan en ik pakken de boekjes. Is de voetstap gezet door een ree of een edelhert? Of is het toch een wild zwijn? We vergelijken de afbeeldingen met de afdruk in de sneeuw. De ecovrijwilligers moeten zonder begeleiding in groepjes van twee op pad kunnen. Dus moet iedereen de sporen kunnen herkennen en noteren wat hij waar gezien heeft. Het is een hert, want bij een wild zwijn is de hiel breder dan de tenen. En het is een ree, een edelhert heeft grotere hoeven.

Smietana loopt weer door, een wolvespoor achterna, het bos in, de berg op, hij snelt door sneeuw, banjert door stroompjes en over omgewaaide bomen, als om ons te laten merken dat we echt niet op vakantie zijn. Gelukkig gaat zijn spoor gelijk lopen met dat van een berin; haar zware poten hebben de sneeuw steviger aangestampt dan de laarzen van Smietana. Ik kan precies zien waar de berin gelopen heeft, waar ze naar de rivier is geroetsjt, waar ze even met haar twee jongen heeft gespeeld. Aan de bomen hangen koorden van ijskristallen als spinnewebben te waaien.

We vinden het karkas van een ree, het vlees is er al af, maar de ribbetjes zijn nog donkerbruin. Wie heeft het gedood, een wolf, een beer? Het is niet te zeggen volgens Smietana. “De beren spelen er nu mee.” Nog steeds loop ik in het voetspoor van de berin, elke afdruk is twee keer zo breed als mijn bergschoenvoet, ik kan er instappen zonder de afdruk van de nagels in de harde sneeuw te beschadigen.

Aan de oever van een brede beek is het tijd voor het tweede ontbijt, dikke, door Mazjena gesmeerde boterhammen met kaas, worst en augurk en een appeltje voor de dorst. Smietana vertelt dat de ecovrijwilligers op dit moment zijn voornaamste bron van inkomsten zijn. Hij werkt aan zijn proefschrift voor het Pools Natuurbeschermingsinstituut, dat verbonden is aan de universiteit van Krakau, maar die hebben geen geld om zijn onderzoek te financieren. Daarnaast hoopt hij de bescherming van de wolven te verbeteren. Rondom het Nationale Park worden elk jaar vijftien wolven doodgeschoten. We klimmen nog verder omhoog. De dennebomen hebben de meeste sneeuw afgeschud, alleen op de onderste takken rust een zware laag. Ze buigen zo ver door dat het lijkt alsof de stammen rokjes dragen. Op een open plek tussen de meisjesbomen vindt Smietana wolvepoep. Aan Jan de eer het in een zakje te doen.De drolletjes zijn grijs en ruiken zoet. Met een stokje (wolven hebben wormen en andere parasieten) schuift Jan ze in een bruine envelop. Smietana schrijft de vindplaats en datum erop. Thuis gaan ze in de vriezer, daarna analyseert hij ze onder de microscoop. “Ik heb al zo'n vijfhonderd monsters verzameld,” zegt hij. Ze vormen de basis voor zijn onderzoek naar het eetgedrag van de wolven. 's Zomers eten ze hier voornamelijk edelherten, 's winters vullen ze hun dieet aan met de biggetjes van wilde zwijnen. “In de diepe sneeuw kunnen die niet zo gemakkelijk uit de voeten.” De tweede dag is hetzelfde als de eerste. We vinden sporen van wolven en herten en beren, we vinden berepoep vol beukenootjes en ondertussen vertelt Smietana over wolven, over wat ze eten en hoe ze paren, over zijn wens om een aantal wolven met radiozenders uit te rusten, over de harde jacht op wolven in de omgeving van het park, over de noodzaak van samenwerking met de Oekraïne en Slowakije, over het doden van vee, over zijn voorstel om de kuddes schapen in de Bieszcady middels waakhonden tegen wolven te beschermen. Smietana is dezer dagen schoorvoetend onze vader. Zijn kennis en kunde bepalen elke stap, hij geeft ons te eten en bepaalt wanneer wij rusten, wanneer wij lopen, wanneer wij stilstaan. Als een rivier voor ons te breed is, gooit hij er keien in. 's Avonds gaat het onderwijs door. Smietana laat dia's zien en leent boeken en wij lezen zijn wetenschappelijke artikelen, zoals The Diet of wolves in the Bieszczady Mountains en The influence of snow cover on wolf Canis Lupus. De ecovrijwilligers worden erin bedankt. Zo gaat het voor Jan en Karin nog vijf dagen door. Maar een wolf krijgen ze niet te zien. Smietana zoekt daar niet meer naar, hij is de laatste vier jaar maar acht keer een wolf tegengekomen. De laatste dag van hun verblijf vinden ze op de helling achter het hotel wel een dode wolf. Smietana stopt hem thuis in de diepvries. Hij wil hem later aan het museum van het nationale park geven.

Na een klim vlak langs de grens met de Oekraïne (paspoort mee) lopen we het bos uit. Het bevroren pad gaat verder tussen bevroren velden. De meeste kleuren overwinteren elders, hier zijn alleen maar bescheiden groen en overweldigend wit. Ook hier loop ik nog in het voetspoor van een beer. Waar zijn die dieren toch? Het land is roerloos. Feiten en verhalen hebben het landschap onherroepelijk veranderd. Toch hoop ik nog op een dier.

De dennen van het bos aan de overkant zijn geschilderd door Caspar David Friedrich. Plotseling staat niet Smietana, maar Jan stil. “Een vos op het pad.” Ik tuur, naar een boomstronk, want even later zet iets anders zich in beweging. Hier kan geen spoor, geen uitwerpsel tegenop. Als een grote eekhoorn huppelt de vos in een lange rechte lijn naar rechts. Het schilderij waar we tot nu door heen liepen is in een film veranderd. Het rood en de beweging brengen het hele landschap tot leven.

Als we Friedrichs bomen bereikt hebben, wijst Smietana naar links. “Hier was vroeger een dorp. Bukoviec.” Het kerkhof is er nog; van de kerk is alleen het metalen kruis van de toren overgebleven.

De Bieszcady is pas sinds kort een wildernis. Vroeger woonden hier mensen. Polen natuurlijk, maar ook joden, Duitsers, Oekraïners, Bojki en Lemki. Tussen 1939 en 1950 zijn ze allemaal gevlucht, verdreven of vermoord. De herhaalde verschuiving van de grens tussen Polen en de Sovjet-Unie had telkens massale deportaties tot gevolg. Tot ver na de oorlog opereerde hier het Oekraïnse Partizanen Leger, dat ervan droomde een onafhankelijke Oekraïense staat te stichten, waar ook de Bieszczady deel van moest uitmaken. Poolse dorpen werden door het OPL in brand gestoken. In 1947 was het grootste deel van de Oekraïners al naar de Sovjet-Unie gedeporteerd. Om een eind te maken aan de guerilla deporteerde Polen tijdens de operatie Vistula vrijwel alle overgebleven Oekraïners naar het westen van het land. Ook bijna alle Bojki en de Lemki, twee verwante slavische volkeren, werden gedeporteerd. Toen de grens tussen Polen en de Sovjet-Unie in 1951 voor het laatst werd gewijzigd, woonde er bijna niemand meer in de Bieszczady. “Wat slecht was voor de mensen, was goed voor de natuur,” zegt Smietana.

Pas in de tweede helft van de jaren zestig kwamen er weer mensen naar de Bieszcady. Polen. Nu, na bijna vijftig jaar, mogen de Oekraïners en de andere slaven weer naar hun geboortestreek terugkeren. Niemand komt, ook de nakomelingen niet. De Wartburg rijdt weer naar Zatwarnica, dat in 1946 door het OPL in brand werd gestoken. We passeren Chmiel. Hier staat nog een houten kerk van de Bojki. Voor 1945 waren er 200 houten kerken van de Bojki en de Lemki in de Bieszczady, nu zijn het er nog een stuk of zestig. Het dak van de kerk in Chmiel, die dateert uit 1906, is overdekt met zinkplaten, maar nog steeds is de kerk charmant en robuust; de onverbiddelijke symmetrie wordt verzacht door het onregelmatige handwerk. De kerk is nog in gebruik, maar het geloof van de Bojki wordt er niet meer gepredikt. Zij waren Uniaten, grieks-Orthodoxen die de suprematie van de paus erkennen. De kerk is nu rooms katholiek.

De Wartburg rijdt verder, slaat niet af naar Zatwarnica, maar gaat door naar Lutowiska. Van de joden is in de Bieszczady nog minder overgebleven dan van de niet-Poolse slaven. Er zijn nog twee synagoges; de een is nu een galerie, de ander een bibliotheek. In Lutowiska is er geen meer. Voor de oorlog was de helft van de bevolking van dit dorp joods. In 1943 vermoordde de Gestapo er 700 joden. Op het massagraf naast de Stanislaskerk werd in 1969 een monumentje gezet. De furieuze waakhonden van de kerk en het huis ernaast verhinderen contemplatie.

Op een heuvel buiten het dorp is een grote joodse begraafplaats. De stenen zijn verweerd en omgevallen, maar ze zijn er nog. Stenen van andere begraafplaatsen in de streek zijn, net als elders in Oost-Europa, gebruikt om de wegen te plaveien. De graven in Lutowiska bezoekt niemand meer. Ze staan niet op het programma van het ecovrijwilligersproject. Ook Smietana is hier nog nooit geweest. Maar misschien loopt er 's nachts wel eens een wolf over de graven.

Ecotoerisme

'In het spoor van de wolf' is naam en motto van de Nederlandse reisorganisatie Wolftrail. Deze in Hengelo gevestigde organisatie biedt reizen aan die vallen onder de uit Amerika overgewaaide term 'ecotoerisme', in Nederland ook wel 'natuurreizen' of 'duurzaam reizen' genoemd.

Ecotoeristen zijn zich bewust van de gevolgen die hun aanwezigheid kanhebben voor het gebied dat ze bezoeken. Ze willen geen torenhoge hotels, geen patatkramen, geen nieuwe voorzieningen die elk gebied in Benidorm kunnen veranderen. De ecotoerist mag vooral een hoop dingen niet, variërend van het bekende bloemen plukken tot het voor anker gaan op een koraalrif. Maar de vliegreis naar de tropen, waar de meeste ecotoeristen naar toe trekken, belast het milieu zwaarder dan een busreis naar Benidorm. Daar is wat op gevonden. Door geld te steken in de lokale economie, kan de ecotoerist meehelpen een landschap te behouden of zelfs te verbeteren. Door het geld dat de toeristen meebrengen kunnen bossen die anders gekapt zouden zijn ten behoeve van landbouw en veeteelt blijven bestaan. Ook dieren kunnen profiteren van de toeristen. In Centraal-Afrika is het stropen van gorilla's bijvoorbeeld sterk afgenomen toen de bevolking ontdekte dat er meer geld viel te verdienen aan levende apen. Stropers worden gidsen. Al te voortvarende natuurbescherming kan echter ook kwaad bloed zetten bij de lokale bevolking. Veel westerse toeristen hebben meer oog voor de noden van bijvoorbeeld de zeeschildpad dan voor die van armlastige vissers.

Een ecotoerist overnacht niet in een hotel van een grote internationale keten, maar in een onderkomen dat eigendom is van lokale bewoners, koopt geen ingevlogen voedsel en boekt zijn safari bij een organisatie die een deel van het verdiende geld investeert in natuurbescherming.

Organisaties als Earthwatch en Earth Island bevelen reizen aan die de ecotoerist onder deskundige begeleiding kennis laten maken met bijzondere flora en fauna. Wegens de gevaren van verstoring van het dierenleven zal dat echter voornamelijk op verrekijkersafstand moeten plaatsvinden.

Een stap verder dan de ecotoerist gaat de ecovrijwilliger. Hij geeft niet alleen geld uit, hij draagt actief bij aan onderzoek naar en bescherming van de natuur. In Nederland is Wolftrail een grote aanbieder van ecovrijwilligersreizen. Wolftrail maakt deel uit van de organisatie Europe Conservation, die een internationaal Eco-volunteer Program heeft opgezet. Een greep uit het aanbod: bruine beren voorbereiden op terugkeer naar de natuur in Rusland, zeeschildpadden merken in Griekenland, gibbons voederen in Thailand, orang oetans lokaliseren op Borneo en huisvesting zoeken voor monniksrobben in Turkije. Over elk van de 20 programma's van Wolftrail is een uitgebreide folder beschikbaar. Het wolvenproject kost F 1175,- voor twee weken, exclusief reis en verzekeringen. Het minimum aantal deelnemers is twee, het maximum vier personen. Inlichtingen: Wolftrail, postbus 800, 7550 Hengelo. Tel. 074-2478885. Er is dit jaar ook een wolvenreis naar West-Rusland.

TAD Travel biedt, naast andere onderzoeksreizen, dit jaar ook een wolvenproject aan in het noordoosten van Polen, in het nationale park Bialowieza. Prijs voor tien dagen F 1969,- inclusief reis. Maximum aantal deelnemers: 20. Inlichtingen: TAD travel, tel. 053-4359585.

De internationale organisatie Earthwatch organiseert behalve natuur- ook cultuuronderzoeksreizen. Inlichtingen: Earthwatch Europe, Belsyre Court, 57 Woodstock Road, Oxford OX2 6HU Verenigd Koninkrijk. Tel. 00-44-865-311600.

    • Bianca Stigter