Een liefdesverklaring aan Griekenland; De leegte, de wind en de woorden

Een lofzang op Griekse zon en zee heeft niet veel zin. Men kan zelf wel zien dat de zon schijnt en dat het water blauw is. Daarom een tocht langs plaatsen die veel moeilijker te veroveren zijn: de resten van antieke beschavingen. Klauteren over brokstukken met in het hoofd eeuwenoude verhalen en twintigste-eeuwse gedichten: Wanneer het geluk/ gekomen is, geeft het minder blijdschap/ dan wat een mens verwacht.

Wat zoeken onze zielen toch, reizend op de dekken van vervallen schepen?'' vraagt de Griekse dichter Yorgos Seferis zich in een van zijn gedichten af. En wie nu door Griekenland trekt, op de bomvolle dekken van zo niet vervallen dan toch wel vieze schepen, in volgepakte bussen over stoffige wegen, een droge heuvel opklauterend in de hoop in wanordelijk puin een oude stad te herkennen, die zucht het hem dikwijls na.

Wat zoeken onze zielen toch. Wat zijn we hier aan het doen, in deze hitte, deze droogte, deze drukte, wat lopen we door de stinkende straten van Athene, sluiten we onze oren voor de op elk eiland rondbrommende brommers, wat zwoegen we urenlang over smalle paadjes om uiteindelijk op een geheel met vuilnis volgestort strand uit te komen. Waartoe deze krankzinige en onuitroeibare liefde voor een land dat er ongeveer alles aan doet om het de bezoeker moeilijk te maken? En hoe slaagt Griekenland er toch in om steeds weer nieuwe bezoekers verliefd en verslaafd te maken?

Dit zijn wellicht onbeantwoordbare vragen. Wie een geliefde beschrijft kan altijd rekenen op onbegrip en op zijn best welwillende onverschilligheid: die ogen, die haren, die huid die voor de spreker zo onverwisselbaar en onweerstaanbaar zijn, zijn voor de luisteraar gewoon ogen, haren, huid. Hebben we allemaal. Dus dat verhaal van stralend licht, blauwe zee, door het water gladgewreven rots, de dromerijen over thijmgeur en de diepe schaduwen van de olijfbomen, zo uit zee op de gril gesprongen visjes die zich zo heerlijk laten wegspoelen met - enfin, dát verhaal, daar zit niemand om verlegen. Dat hebben andere landen ook. Dan zegt de luisteraar: Portugal, dat zou wat voor jou zijn. En dat zal wel, maar toevallig is mijn hart al bezet. Goed, geen zee en strand want dat is te makkelijk. Maar oh in een bus zitten, alle ramen open, de chauffeur heeft met goede smaak eilandenmuziek op gezet, van buiten waait de warme geur van de droge met kruiden en prikkelige bosjes begroeide hellingen naar binnen, binnen neuriet iemand mee met de zanger die zingt dat we van Naxos naar Amorgos varen op de Skopelitis, de zee blinkt laag beneden ons, de bergen beloven de tjirpende stilte van de cicaden - ja dat is gelukzalig.

Maar laten we veronderstellen dat deze bus niet op weg is over een of ander eiland, maar ons van Athene naar Nafplion op de Peloponnesus rijdt. Het akelige stuk snelweg in het begin is al achter de rug, we zijn het spectaculair nauwe en diep gelegen kanaal van Korinthe overgestoken en rijden door heuvels en velden bomvol sinaasappelbomen, hoog op een berg zien we de akropolis van Korinthe en we bereiden ons voor om te gaan doen wat men in Griekenland hoort te doen: oudheden bekijken.

En laten we ook niet vergeten dat dit zo zonnige decor voor anderen een vaderland is met niet alleen een heel oude geschiedenis, maar ook een moderne geschiedenis van burgeroorlogen en dictaturen, een land dat ze dikwijls helemaal niet zo vrolijk stemt. “Waar ik ook heen reis Hellas verwondt mij”, schreef Seferis (1900-1971), die diplomaat was en veel van de Griekse moeilijkheden meemaakte. Hij kijkt heel anders naar het land met zijn oude overblijfselen: “en het gebied als een groot plataanblad meegesleurd door de maalstroom van de zon/ tesamen met de oude monumenten en het huidige verdriet”. Het woord verdriet, net als regen en herfst en wind, komt nogal vaak voor in zijn poëzie, in Griekse liedteksten trouwens ook. Wie uitsluitend in badpak door de golven duikt mist iets dat evenzeer bij het land hoort: “de weemoed om de last van een levend bestaan” en de weemoed om wat versteend en voorgoed voorbij is.

Nafplion ligt aan zee in de streek die Argolis genoemd wordt, en het is een ideaal uitgangspunt voor bezoeken aan Epidaurus, Argos, Mykene, Tiryns - het is in die buurt bezaaid met resten van veelal heel oude burchten en beschavingen, de oudste overblijfselen dateren van zo'n 8000 jaar voor Christus. Het meeste, en vooral dat waaraan nog iets te bezichtigen valt, is minder oud: de muren en de beroemde leeuwenpoort van Mykene en ook het megaron en de binnenhof van het paleis zijn zo'n beetje in 1350-1325 v. Chr. gebouwd.

De verwoesting van Troje vond plaats in ongeveer 1180 v. Chr. Dus toen was Mykene al een paar eeuwen een burcht. Dat moet ook, want het vervaarlijke geslacht van de Atriden heeft een geschiedenis van lang voor Agamemnon, de koning van Mykene die uittrok om Troje te verwoesten. Na ruim tien jaar kwam hij weer thuis, om door zijn eigen vrouw Klytaimnestra en haar nieuwe minnaar vermoord te worden.

En al zijn dat maar verhalen en geen echte geschiedenis, het zijn wel verhalen die nauw samenhangen met deze streek. Wie Argos zegt of Mykene, die denkt aan Elektra en Orestes, aan Tantalus die de goden zijn eigen zoon te eten voorzette, aan de bloederige broederstrijd tussen Atreus en Thyestes waarbij ook weer allerlei kinderen werden geslacht, aan Ifigeneia, door haar vader Agamemnon weggeroepen om geofferd te worden ten bate van de Griekse vloot, aan het verre Sparta waar Helena, de zuster van Klytaimnestra, bezweek voor de knappe jonge Paris - aan een enorme hoeveelheid namen en mythen kortom, aan een geschiedenis van wonderen en verschrikkingen.

Het is dan ook ontnuchterend om zo'n gewone groenblauwe Griekse bus te zien staan voor het busstation in Nafplion die als opschrift heeft: Argos/Mykene. Wat weet zo'n bus, wat kán een bus weten, van Argos en Mykene? Nog veel erger wordt het als men ook daadwerkelijk in Argos arriveert: zelden zo'n lelijk, rommelig en ahistorisch stadje gezien. Het lijkt wel pas in 1960 gesticht (op de Pelopponnesus komen veel aardbevingen voor zodat alle huizen steeds weer instorten). Het heeft een groot leeg zanderig plein waarop je gerust een kanon kunt afschieten, een paar geheel uit beton opgetrokken winkelstraten en verder eigenlijk niets. Door een buitenwijk (nauwelijks stoepen en vervaarlijk scheurende auto's) kan men de resten van oud Argos bereiken. Het ligt half tussen de huizen, met een grote parkeerplaats voor bussen en vrachtauto's ernaast, er staan hekken omheen en over een deel van de oude Griekse tempels hebben later de Romeinen weer wat heengebouwd. Het amfitheater is heel wat meer vervallen dan het beroemde van Epidaurus, maar dat is juist wel mooi - je ziet het zich als het ware losmaken uit de heuvel, alsof het al in de aarde verscholen lag en daar ooit in de oudheid tijdelijk uit bevrijd is.

Toch geeft Argos gemakkelijk dat wat vermoeid wanhopige gevoel van onmacht dat zo hoort bij het bekijken van oudheden: overal brokkelige steen en half verzonken muren en nergens enig houvast voor de verbeelding. Wie zich niet heel grondig en studieus heeft voorbereid komt in Argos niet zo ver. Die is al snel weer terug in Nafplion waar gelukkig wèl een oud stadscentrum is, waar een klein fort voor de haven in het water drijft (nu ja, het drijft natuurlijk helemaal niet maar het ziet er zo scheepsachtig uit), waar in grote cafés haastige maar efficiënte obers koude koffie met roomijs aandragen, waar het plein Italiaans betegeld is en de daken met golvende pannen belegd zijn.

Nafplion is vriendelijk om te zien met een ongriekse elegantie. Wel weer erg Grieks is de manier waarop de straten van planten voorzien zijn. Een weelde van groen en bloemen in hergebruikte blikken en vaten die allemaal aandachtig wit of blauwgroen geschilderd zijn. Hoe dat soort dingen, de combinaties van blauwe en groene verf, het aangenaam slordig witten van bobbelige muren, een pot met basilicum of een reus van een bloeiende geranium nu toch weer altijd allemaal zo smaakvol kunnen uitpakken blijft verbazen. Maar het is wel zo. En het troost een beetje voor de nationale concretomanie, zoals Gerrit Komrij ooit de Griekse hartstocht voor beton noemde.

Mykene bestaat eigenlijk niet als modern stadje. Er is wel iets dat die naam draagt maar dat is meer een verzameling faciliteiten voor toeristen: camping Atreus, café-bar Electra, restaurant Klytaimnestra en hotel De schone Helena van Menelaos verdringen zich langs de weg. Een eindje verderop ligt datgene waarvoor we gekomen zijn, opgenomen in het landschap van ongenaakbare rotsen en verbazende kloven, heuvels met olijfbomen en onaangeraakte woest begroeide hellingen. De dik ommuurde burchtheuvel kan gemakkelijk eerst over het hoofd gezien worden, zo vanzelfsprekend gaat hij op in de achtergrond. Maar hoe meer je hem nadert, hoe minder hij zich ooit nog weg laat denken. Wat erg helpt in Mykene is dat het een oudheid met een verhaal is. Want het valt niet mee om zo maar over een vlakte met kniehoog puin te lopen waar op een bordje staat 'winkeltjes' en je dan voor te stellen dat het hier (hoe hoog?) bebouwd was met heuse muren (gepleisterd?) en dat er mensen liepen (hoe zagen ze eruit?) die dingen kochten (wat voor dingen?) die ze meenamen naar hun huizen (wat stond daarin?). Oudheden bekijken is niet gemakkelijk. Toch willen we het wel zien, Delos, Argos, Olympia, omdat het namen zijn die al zo lang in het hoofd klinken, omdat we in de buurt zijn, omdat we hopen er iets bij te voelen, iets van ontzag, van geschiedenis - misschien hopen we stiekem op een wonder in ons hoofd dat de muren en zuilen even weer rechtop zal zetten, dat de vage plattegronden vult met het geluid van sandalen op marmeren plaveisel, met het geratel van een kar over een bonkige stenen weg, met etensgeuren, spelende kinderen, gemompel van priesters, ontzagwekkend hoge beelden op de lege voetstukken, een wonder dat de zware paleisdeuren terug zal zetten in de in het marmer uitgehakte gaten, dat een bassin met koel water vult zodat het plotseling weer gaaf geworden mozaïek zich in volle schittering zal laten zien - op iets filmisch kortom. Maar zo'n film bevredigt ook nooit want dan is het niet echt. En op al die plaatsen waar het echt is, is het leven zo vreselijk zoek. Daar lopen we dan, “zwervend tussen brokken steen, drie of zesduizend jaar/ zoekend in ingestorte gebouwen die mogelijk onze eigen huizen waren/ pogend ons jaartallen en heldendaden te herinneren”, zoals Seferis schreef.In Mykene is ook niet heel veel te zien, de prachtige leeuwenpoort, een paar spectaculaire graven uit de bronstijd en verder voornamelijk heel dikke muren - maar gelukkig zijn er de woorden van de dichters, de verhalen van vroeger. Het verhaal van de wachter die op het dak van deze burcht (nee een dak is er niet meer, maar wel een hoogste punt dat een heel goed uitzicht biedt) zomer en winter uitkeek over de vlakte in de richting van de zee, wachtend op het lichtsignaal dat vanuit Troje in Klein Azië van berg naar berg was doorgegeven. Uiteindelijk zou het hier in de Argolische vlakte de bewoners van deze eenzaam gelegen burcht die al tien jaar zonder koning zaten, vertellen dat de stad gevallen was en de koning terug zou keren.

(-)En nu verscheen het zo verlangde teken. Wanneer het geluk gekomen is, geeft het minder blijdschap dan wat een mens verwacht. Maar duidelijk is dit gewonnen: we zijn bevrijd van het hopen en van verwachtingen. (-) Zo dichtte Kavafis ('Toen de wachter het licht zag'). En het was waar, veel vreugde gaf het niet, dit zo lang verbeide teken. Want in deze burcht, in het paleis waarvan we de resten hier zien, moest een moord gepleegd worden. De deuren van de leeuwenpoort hebben zich geopend om Agamemnon en zijn leger binnen te laten - in de drempel zijn karresporen uitgesleten en de vele voeten die erover heen gegaan zijn maakten in het midden een soort kuil. Nu loopt een ouder Grieks echtpaar door die poort naar binnnen, dat het zo te horen heel wat beter met elkaar kan vinden dan de beroemde koning en koningin uit het verhaal. De man vertelt zijn vrouw de geschiedenis van de plek en hij begint ruim bij de voorgeschiedenis: de moord op Ifigeneia in Aulis. “Er was geen wind namelijk, snap je, helemaal geen wind en Artemis wilde dat Ifigeneia geofferd werd.” Hier bij de poort is Ifigeneia wellicht nog uitgewuifd, door Klytaimnestra, beiden niets vermoedend van het noodlot.

Wie op de verste uithoek van de burcht gaat staan, daar waar de gang naar beneden leidt die toegang gaf (en geeft) tot de geheime buiten de muur gelegen cisterne die tijdens belegeringen van binnenuit ongezien bereikt kon worden, kijkt uit over een roerloos en ontoegankelijk landschap. Als het geen zomer is en de cicaden niet oorverdovend sjirpend de lucht nog erger laten trillen dan hij toch al doet, is het er adembenemend stil, met niet meer dan vogelgefluit en vaag gesuizel van de wind. De muren staan er ondoordringbaar en oeroud bij, er is niets te zien dat niet ook te zien geweest zou kunnen zijn in het ooit van de verhalen. Leegte. Tien jaar lang deze leegte in alle seizoenen, de grijze regenlucht boven de rotsen, de brandende zon op de dorre struiken, het wachten, het vrezen voor de terugkomst van degene die ongetwijfeld alles weer anders zou maken. “Ook zonder wijs te zijn/ kan iemand dat vermoeden, nu de wachter/ het licht gezien heeft.” Woorden doen toch ontzaglijk veel voor een plek. Daarzonder is men vaak verloren. Maar ook met valt het niet altijd mee. Speciaal om de woorden van Seferis reisde ik naar Asine, evenmin ver van Nafplion gelegen. Asine is een onbeduidend strandplaatsje temidden van sinaasappelbomen. Even verderop ligt het afgrijselijke Tolos, weer een geheel voor toeristen verzonnen plaats waar geen enkel normaal woonhuis te vinden is. Ook Asine moet, net als Argos en Mykene, ooit een koning gehad hebben want die koning wordt genoemd in de Ilias. Niet meer dan genoemd trouwens, er staat alleen, in een lijst van koningen en schepen en legers: “En Asine”.

Er bestaat inderdaad iets dat 'archaïsch Asine' genoemd wordt. Een boer die de weg wijst probeert teleurstellingen te voorkomen door maar vast te verklappen dat er daar niets interessants te zien is. Ook hier weer die wonderbaarlijke muren die bestaan uit zonder cement in elkaar gevoegde steenblokken. Wie steeds weer naar die muren kijkt wil dichter worden om er iets over te zeggen - maar welke woorden zouden vat kunnen krijgen op deze drieduizendjarige stapelingen? Wat Seferis over deze kaap zegt (over de muren alleen maar: “licht dat diamanten sleep op de grote muren”) probeert ook niet om greep te krijgen, het is zoekend rondzwerven wat hij doet, op zoek naar de koning van Asine, kijkend naar wat er te zien is en dat is, de boer had gelijk, niet veel.

(-)zijn kinderen beelden zijn verlangens vogelgefladder, de wind in de ruimten tussen zijn gedachten en zijn schepen voor anker in een verdwenen haven; onder het masker een lege plek. Een trap voert de rots op. Boven is niets dan wuivend gras en onduidelijke brokken steen, zelfs geen schijfje zuil, geen weinig verhelderend bordje dat zegt 'huis met de fontein', niets, een uitzicht over zee en een gedicht dat door het hoofd spookt “tussen deze gebroken lijnen punten spitsen holtes en bogen”.

Onder het masker - er wordt verwezen naar zo'n gouden dodenmasker als wel in graven, bijvoorbeeld in Mykene, gevonden is - is er leegte, onder de zichtbare buitenkant is niets te vinden. Toch zou zelfs zo'n leeg masker, als het hier was, enorm helpen, hier mist men nog erger dan elders elk spoor van iets dat van menselijke activiteit getuigt: fresco's, beelden, sieraden, potten en schalen. Die worden bij elke oudheid altijd zorgvuldig verwijderd en naar een museum overgebracht, meestal naar het archeologisch museum in Athene. Daarom verlaten we Asine en de koning “naar wie wij op deze burcht zo omzichtig zoeken/ soms met onze vingers zijn sporen op de stenen rakend” en gaan terug naar Athene, want het is wel goed om daar eens wat rond te kijken. En niet alleen goed, ook erg leuk. Want behalve het museum is er op het gebied van oudheid weinig sprekender dan de Agora en de idyllische antieke begraafplaats en stadswijk Kerameikos, een klein natuurreservaatje (“het is verboden de kikkers te storen”) zomaar in Athene, aan de rand van de Plaka, aan het eind van de heel drukke en rommelige Ermoustraat. Bij de Kerameikos hoort een schitterend museumpje waar allerlei grafvondsten tentoongesteld staan die vaak wonderlijk gaaf bewaard zijn gebleven: kinderspeelgoed, oorbellen, roodfigurig aardewerk met alledaagse, grappige en seksuele voorstellingen en, een van de bijzonderste dingen die ik ooit gezien heb: scherven van schervengerichten waarin de namen gekrast zijn - 'Themistokles', 'Neokleos' - van diegenen die men naar buiten de stad wilde verbannen omdat ze te machtig dreigden te worden. Door een echte hand bekraste scherven! Een kras lijkt toch weer veel persoonlijker dan een verfstreek.

En dan is er ook nog kaap Sounion met het weergaloze uitzicht vanaf de Neptunustempel, althans vanaf de resten, en het mooigroene Delfi, en de Akropolis met zoveel gave gebouwen hoog boven het gewoel van Athene. En Athene is natuurlijk een stinkstad maar je kunt er verrukkelijk uitgaan de hele nacht lang, met almaar de mooiste voor je ogen en oren gespeelde muziek, waarbij alleronweerstaanbaarst gedanst wordt. Om nog maar te zwijgen van al die oudheden die alleen maar een excuus zijn om in de bus te gaan zitten, want beneden schittert de zee en door het open raam waaien de warme geuren van kruiden naar binnen - daar gaan we weer. Wat Seferis ook zegt, hoe melancholisch het landschap soms ook kan kijken.

    • Marjoleine de Vos