Aan een boer heb ik vastigheid

Zijn glimmende oogjes zijn klein, hij loopt steeds krommer, maar hij voelt zich nog kiplekker. Na een stevig ontbijt - “met zeker acht sneeën brood” - haalt hij 's ochtends zijn brommer uit het schuurtje en pakt hij 'de handel' in. Op het voorwiel van zijn keurig gepoetste voertuig is een ijzeren mand gemonteerd, waarin hij zijn paraplu's heeft geladen. Een stuk of dertig. Kobus de Jong, oftewel Koke de Paraplu (89), zet zijn oranje helm op, trekt zijn lange regenjas aan en start. De eerste meters slingert hij enigszins, dan vindt hij zijn evenwicht en gaat wat hij noemt 'de baan op'. Op weg naar het naburige Terheijden, Den Hout of Made, of verder nog: naar Geertruidenberg, Zevenbergen, Klundert en zelfs Standdaarbuiten.

De kleiboerkes, vertelt hij, vormen zijn beste klanten. “Een boer is een ouderwetse mens. Als die een pèreplu moet hebben, dan zegt hij: 'Koke, kom eens snel binnen, gelukkig dat je er bent. Wij zijn beiden zakenmensen, tuurlijk koop ik bij jou'. Daar heb ik vastigheid aan, aan die boeren. Maar een burger, die gaat winkelen, zelfs tot in Rotterdam toe. Daar ziet-ie een mooie paraplu in een etalage liggen, die wil hij hebben. Daar schiet ik niks mee op.”

In het bijzonder op afgelegen boerderijen zien ze Kobus graag komen. Want de bejaarde, slechthorende Wagenberger is niet alleen altijd opgewekt, hij pleegt zijn klandizie ook te paaien. Met appels en repen chocolade, bijvoorbeeld. “Voor de kinders”, roept hij als hij aanbelt. Of hij maakt, zingend, een vrolijk dansje. Dan zet hij zijn zwarte leren koker met paraplu's tegen een boom, heft zijn knieën beurtelings en zwaait met zijn grote handen.

“De koekjes zijn heerlijk, de bokjes zijn blij. Holladijé holladijij”.

Kobus is naar eigen zeggen 'een beste koopman'. “Ik bespeel de mensen, ik kan medelijden opwekken. Ik tover zo een traan in mijn linkeroog, terwijl, ha, ha, mijn rechteroog glanst van de pret.” Kraaiend van plezier doet hij voor hoe hij zijn klanten benadert.

Hij belt natuurlijk eerst aan, legt hij uit.

“Vrouwtje, moet u een parapluutje? Ze zijn toch zo leuk, kom toch eens kijken.”

“Waar komen ze vandaan?”

“Uit Zwitserland, vrouwtje.”

“Komen die paraplu's uit Zwitserland?”

“Ja mevrouw!”

“Ik wil voor ons pa een mooie paraplu.”

“Doen, mevrouw, want ze zijn mooi, en ze komen uit Zwitserland!”

“Nou okee! Dan is het goed.”

Kobus: “Dan roep ik 'bedankt' en ik loop weg. En waar ligt Zwitserland? Ik zou het niet weten, ha, ha, ha.”

Op een volgend adres slaat Kobus opnieuw toe.

“Dat zijn mooie paraplu's, Kobus, wat kosten die?”

“In de winkel kosten ze vijftig gulden, mevrouwtje. Bij mij krijgt u ze voor veertig piek. Of twee voor 75 gulden.”

“Ik vind dat eigenlijk ook wel best goeiekoop. Geef er maar twee.”

Hij krabt zich op zijn kale hoofd en moet grinniken. “Een koopman maakt heel wat mee!” Laatst stond er ineens een goede klant op zijn stoep met een paraplu, met verroeste baleinen. En dat terwijl het ding pas een paar weken oud was. Ra-ra hoe kon dat? Was dat kostbare regenscherm wel nieuw geweest? Kobus bleef de rust zelve: “U heeft er zeker mee in de regen gelopen”, antwoordde het baasje.

In Wagenberg ging onlangs even het verhaal dat Kobus zijn brommer had verkocht, dat hij ging stoppen. “Gewauwel”, vertelt de 'parapluman'. “Ik ben toch geen mens om niks te doen? Ben je nou gek? Al verdien ik een dag maar vijf gulden, dan nog ga ik door. Wat neukt mij dat nou? De dokter zegt: 'Kobus, gij wordt 100 jaar. Maar schei je er uit met je handel, dan kun je meteen je kist bestellen, dan ga je de pijp uit. Jouw lijf gaat liggen mieteren als je voor het venster gaat zitten'. Ik ben trouwens altijd bezig. 's Zomers raap ik 's avonds de piepers in mijn hofke en neem ik de tijd voor mijn kippen.”

Begin december, tegen Sinterklaas, heeft hij het altijd bijzonder druk. Momenteel is het rustiger, gaat hij dagelijks iets minder lang op pad. Hier en daar drinkt hij dan een bakske koffie, neemt hij de tijd voor bekenden. “Laten we vrienden zijn, de korte tijd dat we elkaar nog zien”, pleegt hij hun te zeggen. Op zaterdag repareert hij. Dan zit hij, een rode boerensjaal om, met naald en draad voor het raam van zijn woning, waar een gasleiding en telefoon ontbreken. “Er zijn op de dorpen nog veel mensen, die een kapotte paraplu brengen, maar ze willen hem niet kwijt.”

De Jong weet niet meer precies wanneer hij als venter is begonnen. Hij herinnert zich dat hij als jochie van elf met zijn vader mee moest om paraplu's te verkopen. “Aan het einde van de week kreeg ik dan vijf centen, waarvoor ik een zuurbal kon kopen.” In 1928 maakte zijn vader een testament op, waarin hij vastlegde dat Kobus het bedrijf mocht overnemen.

“Wanneer pa sterfde, ben ik kwijt. Maar als ge hier naar het kerkhof gaat, dan kun je het uitvinden. Daar liggen Ko zijn vader en Ko zijn moeder. Op hun grafsteen staat met grote letters wanneer ze dood zijn gegaan. Lang geleden. Ik zit een mensenleven op de baan. Koke houdt de vrouwtjes al 70 jaar droog!”

    • Guido de Vries