Vooral allochtone jongens in inrichting

DEN HAAG, 6 JAN. De helft van de jongeren die behandeld worden in een justitiële jeugdinrichting heeft een niet-Nederlandse achtergrond. Bijna een op de vier jongens is van Marokkaanse afkomst en een op de acht heeft een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond. De inrichtingen worden voor driekwart bevolkt door jongens. Bij opname is een jongere gemiddeld vijftien jaar oud en drie keer eerder geplaatst in kindertehuizen, pleeggezinnen en soms ook justitiële inrichtingen.

Dat blijkt uit het onderzoek 'Jongeren in justitiële behandelinrichtingen' dat werd uitgevoerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van justitie. Als basis dienden dossiers van, en vragen aan 383 jongeren die in 1993 op last van de kinderrechter werden opgenomen in elf behandelinrichtingen.

In totaal beschikte Justitie dat jaar over 846 plaatsen in zeventien strafinrichtingen, waarvan 360 bestemd voor opvang en 486 voor behandeling. Verreweg het grootste deel van de bevolking van justitiële jeugdinrichtingen zit daar in preventieve hechtenis of is veroordeeld tot een tuchtschoolstraf.

Een klein deel is 'buitengewone behandeling' opgelegd. Het gaat daarbij om jongeren die niet of niet geheel toerekeningsvatbaar waren voor het delict dat ze hebben gepleegd. Bij de herziening van het jeugdstrafrecht in september is deze maatregel vervallen.

Het is voor het eerst dat de populatie van behandelinrichtingen systematisch is beschreven. De inventarisatie maakt deel uit van een groter onderzoek dat in kaart moet brengen wie de behandelinrichtingen bevolken, welke behandeling ze krijgen en hoe het de jongeren een jaar na vertrek vergaat.

Op basis van deze uitkomsten die over twee jaar gepubliceerd worden, zal onder meer bekeken worden of de inrichtingen zich meer moeten specialiseren in de behandeling van één categorie jongeren. Vooralsnog is dat bij twee strafinrichtingen voor minderjarigen het geval. Een jeugdinrichting is speciaal bestemd voor zwakbegaafde jongens; en de justitiële inrichting in Harreveld behandelt minderjarige jongens die zedendelicten hebben gepleegd.

Onbetwist voordeel van de gemengde populatie is dat alle beschikbare behandelplaatsen makkelijk gevuld kunnen worden, schrijft WODC-onderzoeker L. Boendermaker. Ze wijst erop dat zodra een inrichting zich meer specialiseert, het minder makkelijk is de celcapiciteit optimaal te benutten.

Gemeenschappelijk kenmerk van alle jongeren in de behandelinrichtingen is dat ze stuk voor stuk kampen met een “karrevracht” aan problemen, aldus Boendermaker. Ze hebben psychosociale problemen, hebben meer en vaker gedragsproblemen dan de gemiddelde jongere en kampen met persoonlijkheidsstoornissen.

De harde kern (35 procent), schrijft Boendermaker, heeft delicten gepleegd, heeft driftaanvallen, is voor opname weggelopen, gebruikt(e) drugs en heeft moeite zich aan anderen te hechten. Verder is bij hen vaak sprake van ontwikkelingsproblemen, zoals een stoornis in seksuele ontwikkeling of in de agressie-ontwikkeling.

In hoeverre de populatie in de inrichtingen steeds vaker kampt met psychiatrische problemen, zoals inrichtingswerkers veel zeggen, kon Boendermaker niet achterhalen. Psychose, neurose of het borderline-syndroom komt bij één op de twaalf jongeren voor.

Dit jaar is het aantal justitële jeugdinrichtingen uitgebreid van zeventien naar twintig, waarbij 381 plaatsen zijn ingeruimd voor opvang en 612 voor behandeling.