Verhalen met een boodschap

ELLEN VAN WOLDE: Verhalen over het begin. Genesis 1-11 en andere scheppingsverhalen

275 blz., Ten Have 1995, ƒ 39,90

Sinds jaar en dag bestaat er discussie over de vraag of de studie van het Oude Testament theologie is dan wel godsdienstwetenschap. Voor beide valt wat te zeggen. De vraag dringt zich op bij lezing van Ellen van Woldes boek, Verhalen over het begin. Genesis 1-11 en andere scheppingsverhalen. We zouden ook van scheppingsmythen kunnen spreken, maar Van Wolde heeft met opzet voor de titel 'Verhalen' gekozen, deels om niet te discrimineren tussen Genesis en andere scheppingsmythen ('van Oeral tot Andes'), deels omdat de term 'verhaal' zich beter dan 'mythe' voor de bedoelingen leent die ze heeft. Mythen tot verhalen maken is een vorm van 'upgrading', het vertellen ervan heeft ook voor ons nog zin en daar wil de schrijfster naar toe. Ze concentreert zich op de scheppingsverhalen uit het Oude Testament, zoals ze toegeeft. Ook dat laat al zien dat de waarde van 'verhalen' voor haar in de 'toepassing' liggen.

Om te beginnen de verhalen van Genesis 1-3 over de schepping en het paradijs. Van Wolde laat zien hoe deze oerverhalen in elkaar zitten, dat je ze - maar daar besteedt ze verder geen woorden meer aan - geheel en al tegendraads leest als je ze opvat als constructieverhaal van mens en wereld. Dat komt nog wel voor, ook in ons land, zoals onlangs de commotie over de evolutietheorie in het eindexamenpakket nog eens duidelijk maakte, maar dat is toch meer uitzondering dan regel. Wie wil weten hoe de wereld ontstond, moet naar wetenschappelijke verklaringen reiken. Voor de auteur van Genesis 1 en 2 (of als men liever wil: de redacteur ervan) mag Genesis een ontstaansverklaring hebben ingehouden, voor ons biedt zij dat niet meer.

Maar hoe lees je die verhalen dan? Om te beginnen vereist dat een geschoolde literaire- en godsdienstwetenschappelijke deskundigheid. Die heeft Van Wolde volop. Het boek getuigt van eruditie, van smaak, van taalgevoel en van kennis van zaken. Tekst voor tekst wordt Genesis 1-11 opnieuw vertaald, waarbij de passages die centraal staan, worden uitgelegd in hun betekenis die ze, volgens Van Wolde, hadden in de context van de vertellers. Soms is die context volgens haar ook nog de onze, of zou ze dat althans moeten zijn.

Om het voornaamste maar te noemen: wij zijn als Westerse mensen veel te gefixeerd op 'begin' in natuurwetenschappelijke zin. De scheppingsverhalen bedoelen met 'begin' iets anders, iets van: zo zit de wereld in elkaar, een soort ordening van de samenleving die van Hogerhand is en waaraan mensen nu eenmaal zijn onderworpen. Beginverhalen zijn wereldbeschouwing, maar dan wereldbeschouwing in termen van geloof. Dat komt natuurlijk niet in mindering van een wetenschappelijke verklaring van het ontstaan van mens en wereld, maar vormt er, in termen van Van Wolde, een aanvulling op. Ik noem als voorbeeld de mens als het 'beeld Gods', als de kroon der schepping. Zonder twijfel loopt het scheppingsverhaal van Genesis 1 daarop uit. Van Wolde laat, aan de hand van de tekst, zien, dat er door heel dat verhaal heen, bij alle schepselen, sprake is van 'Hij schiep ze naar hun aard', maar dat het ineens bij de schepping van de mens heet: Hij schiep ze naar Zijn beeld, naar het beeld Gods schiep hij hen.

De plaats van de mens is volgens de Israëlitische verteller zoiets als de onderkoning, de regent, of in CDA-termen: de rentmeester. Maar pas op, zegt de auteur, je kunt daar ook, zoals de geschiedenis laat zien, een antroposofische wereldbeschouwing van maken, maar dat is volgens haar nu juist niet de bedoeling van Genesis.

Hier rijst een probleem. Kennelijk moeten alle verhalen wel verteld worden, maar zijn ze niet om allemaal na te volgen. Wie het verhaal van Noach leest, kan er niet omheen dat het duidelijk opgesteld is om een hiërarchie tussen de volken aan te brengen, met de Semieten aan de top en de Zwarten aan de basis ('knecht der knechten'). In behoudende protestantse kringen werd voorheen de apartheid met dit verhaal gelegitimeerd. Daarmee kan Van Wolde natuurlijk niet uit de voeten. Hoewel, zo'n verhaal gebruikt ze om te laten zien wat we niet moeten doen, juist niet. Geen hiërarchie tussen mensen en volken. Het verhaal van Kain en Abel (ik voel niets voor die Hebraïserende schrijfwijzen die ze erop na houdt - nergens voor nodig om Hevel te zeggen in plaats van Abel) is daarentegen een verhaal met een lering, die volgens haar wel weer aansluit bij het verhaal zelf: God is de God van alle Kains, de God van de armen, die altijd aan de kant van de slachtoffers staat. Van Wolde leest de verhalen dus als verhalen met een boodschap (daarom 'verhalen' en niet 'mythe').De boodschap is soms dezelfde boodschap als eertijds, soms is ze dat juist niet, en waaraan dat ligt? Aan de theologie, antropologie of filosofie die Van Wolde er zelf op na houdt. Zo gaat dat bij mythische verhalen uit het verleden. Ze lezen is ze interpreteren, en we doen dat met behulp van onze huidige culturele bagage. Ook Van Wolde doet dat. Of de verhalen ook vandaag nog betekenis hebben, en zo ja welke, daarvoor heeft ze haar eigen maatstav.

Op dit punt ligt eigenlijk de enige kritiek die ik op het boek heb. Het is mooi geschreven, het is deskundig in uitleg en vertaling, maar Van Wolde maakt te weinig expliciet dat ze toch niet echt alle beginverhalen over één kam scheert. Voor haar zijn de Genesisverhalen, veel meer dan de verhalen van 'Oeral tot Andes', verhalen met een boodschap aan de mens van vandaag, zelfs een boodschap met gezag (ze introduceert zonder nadere adstructie of verdediging dat het de bedoelingen van God zijn, die ze uit de verhalen laat oplichten). Die boodschap komt des te beter over in verhaalvorm, zegt ze, maar het is dan toch wel, via haar selectie en voorkeur, haar boodschap.

Als ik terugkeer naar de vraag waarmee ik begon - godsdienstwetenschap of theologie? - dan ben ik geneigd te denken dat het toch theologie is. Af en toe wordt die theologie zelfs een beetje dirigistisch. Van Wolde laat haar grote uitlegkundige kwaliteiten beperken door haar vraag waar de verhalen vandaag alsnog voor gebruikt zouden kunnen worden. Zo hoeft het mijns inziens niet. Als ze werkelijk zoveel geloof heeft in de functie van verhalen, dan blijft er alleen maar over: vertel ze en als ze draagkracht hebben, doen ze wat ze kunnen. Meer ook weer niet.