Tegen het nihilisme

J. BOR (red.): De voortgang van de cultuur

106 blz., Contact 1995, ƒ 27,90

De Amsterdamse Stichting Filosofia nodigde vijf filosofen uit te spreken over de hedendaagse cultuur die alleszins in beweging is, maar waarvan nog maar door weinigen beweerd wordt dat ze het resultaat van vooruitgang is. De vijf voordrachten werden bewerkt tot essays en onder de titel De voortgang van de cultuur bijeengebracht. Redacteur Jan Bor lijdt niet aan de progressieve vrees voor cultuurpessimisme en schrijft in zijn korte inleiding: “Inderdaad is de grote opdracht waarvoor we thans staan het nihilisme, dat zo diep in de poriën van onze cultuur is doorgedrongen, te bestrijden en te boven te komen.” Dit is natuurlijk geen gering programma en gezien de essays die volgen, lijkt het een project de Baron von Münchhausen waardig.

Stephen Toulmin opent de rij met een verhandeling over 'Cultuur in een transnationale tijd'. De belangrijkste thema's uit zijn bekende boek Kosmopolis passeren de overigens wat rommelige revue. De natiestaten (die hij nalaat als rechtsstaten te zien) zijn passé, culturen zijn geen begrensde systemen (Clifford Geertz wordt daarover gekapitteld) en de overgangen tussen wetenschap en esthetiek zijn vloeiend: “Tegenwoordig is het ontwerp van een ijskast in gelijke mate een kwestie van esthetiek en van toegepaste natuurwetenschap. Elegantie is even belangrijk als efficiëntie.”

Kosmopoliet als hij is, maakt hij zich boos (of sardonisch vrolijk) over Vlaamse wegborden waar 'Aken' of 'Luik' op staat in plaats van 'Aachen' of 'Liège'. Dat vindt hij bekrompen nationalistisch. Op mijn Engelse atlas lees ik inmiddels wel 'Vienna' en 'Moscow'. Het moet uit zijn met culturele tirannieën van het verleden, zoals Versailles, Taj Mahal en de piramides van Egypte. De transnationale cultuur is een pluriforme cultuur.

Hans Achterhuis volgt met een boeiende analyse van 'De keerzijde van de utopie'. Aan de hand van filosofische en literaire voorbeelden (onder andere Max Dendermonde's De wereld gaat aan vlijt ten onder) toont hij de griezelige, veelal totalitaire dimensies van utopische fantasieën. Met verbijstering leest hij hoe filosofen deze dimensies in De Staat van Plato en Utopia van Thomas More over het hoofd zien. En bewonderaars van gerealiseerde utopieën als de Sovjet-Unie, Cuba en China noemt hij 'fellow travellers'. Wat China betreft krijgen Johan Galtung en Wim Wertheim een paar wel gerichte oorvijgen uitgedeeld.

De Franse filosoof Michel Onfray heeft zijn denkend bestaan gewijd aan de reactualisering van wat hij noemt het 'nietzscheanisme'. Dat doet hij in een essay dat 'Het zelf als beeldhouwwerk' heet. Het nietzscheanisme stroomt hem in de wijsgerige poriën door bedevaarten naar de geografische locaties te maken waar Nietzsche zelf vertoefde: “Hoe kan men Nietzscheaan zijn? Om op deze vraag antwoord te kunnen geven heb ik door heel (? AZ) Europa langs Nietzscheaanse plaatsen gezworven met in mijn achterhoofd het idee dat hun aardrijkskundige ligging veel zou kunnen onthullen en dat ik door die plaatsen te bezoeken kon constateren wat voor kleur de hemel er had, hoe het er rook, hoe de rotsen, de zee en de oorden waar Nietzsche vertoefd heeft eruitzagen.” Via omzwervingen komt hij tot de geestelijke 'Blitz' dat zijn Zelf een beeldhouwwerk is: “Het gaat erom van zichzelf het materiaal te maken dat tot een beeldhouwwerk kan worden, tot een informatie die het mogelijk maakt iets naar buiten te brengen wat staat.” Hij noemt dat “een erectie in etymologische zin”. Enfin, zo worden als diepzinnigheden verpakte platheden tot een formidabele kletsika ineengeweven.

Culturele inflatie

Ton Lemaire brengt de lezer terug in de werkelijkheid met een uiteenzetting over 'Vooruitgang, voortgang en het andere van de geschiedenis'. De Verlichtingsdroom van de vooruitgang is versmald en vervlakt tot voortgang, tot beweging omderwille van de beweging, tot een niet aflatende nadruk op groei en produktie “zonder dat deze activiteiten nog hun zin ontlenen aan een dieper of hoger reikend idee of ideaal”.

Hij spreekt terecht van culturele inflatie. Toch ziet hij in de milieubeweging, de belangstelling voor niet-westerse religiositeit en spiritualiteit een nieuwe cultuur ontstaan die de heersende cultuur gaat vervangen. Het is natuurlijk de vraag of dat allemaal zo nieuw is. De romantiek uit de 19de eeuw riep al 'ex Oriente lux' en in de Weimar Cultuur zinderde het heftig van bewegingen die we nu met de term 'New Age' aanduiden, inclusief de zucht naar kunstmatige intoxicaties. Interessanter is zijn analyse van het moderne 'actualisme', de permanente druk van het hier-en-nu, de verwaarlozing van het verleden, het mythische en archaïsche. Hij komt hier dicht in de buurt van Mircea Eliade die in de jaren vijftig al soortgelijke gedachten ontwikkelde, vooral in zijn mooie studie 'Cosmos and History'.

De doyen van de Nederlandse wijsbegeerte C.A. van Peursen sluit de rij met het opstel 'Naar een multidimensionale cultuur', waarin hij uitgaat van de stelling dat cultuur ontstaat en zich permanent ontwikkelt doordat mensen tegen problemen aanlopen en deze vervolgens proberen op te lossen. Cultuur is dan ook volgens Van Peursen “een nooit eindigend leerproces”. In feite zijn er verschillende leerprocessen: vegeteren, produceren, consumeren zijn de belangrijkste. In een balans van vanzelfsprekendheid en verrassing, van kwaliteit en kwantiteit ontkomt een cultuur aan stilstand en achteruitgang.

Deze hier te kort weergegeven en daarom te abstracte stelling werkt de auteur met concrete en praktische voorbeelden uit. Hij bespreekt daarbij de taal, de wetenschap, het management. Dat er sprake is van culturele pluriformiteit is voor hem evident, maar hij weigert die uit een traditionele positie te bejammeren en te verketteren, terwijl hij ook het oppervlakkig gejuich erover van de postmodernisten afwijst, Hij roept op tot “een meer ambigu, een meer 'kwalitatief' standpunt”. Helemaal duidelijk is hij ten aanzien van dit 'cultureel pluralisme' niet.

Afgezien van Onfray's bijdrage is deze bundel een goede bijdrage tot het denken voorbij het thans tanende geloof in vooruitgang van de cultuur. Dat de auteurs zich daarbij niet nestelen in het geestelijk en moreel zo luie postmodernisme siert hen.

    • A.C. Zijderveld