Roep om terugkeer van het classicisme

FREDERICK TURNER: The Culture of Hope. A New Birth of the Classical Spirit

298 blz., Free Press 1995, ƒ 45,50

“De vele gebreken van de avant-garde kunnen worden afgeleid uit het verlies van een enkele waarde: schoonheid.” Dat althans schrijft de kunsthistoricus Frederick Turner in zijn The Culture of Hope. De vele gebreken waarover hij het heeft, openbaren zich op de gebieden van de ware kennis en de goede zeden, meent hij. Dat uit het schone ook het ware en goede valt af te leiden, is een opvatting die wortels heeft in Pythagoras en Plato, en daarom met enig recht klassiek mag worden genoemd.

Het deert Turner niet dat hij de laatste in een lange rij natuurmystici is die de 'eenheid van het zijn' verkondigen. Die overtuiging formuleert hij het liefst in het idioom van de exacte wetenschappen, maar bij gebrek aan beter behelpt hij zich graag met metaforen. De gemene deler van de kennis van goed en kwaad laat zich immers niet zo precies aanwijzen, ook niet met begrippen als 'non-lineair' en 'zelfregelend'. Dus schrijft hij de verbazende effectiviteit van de DNA-helixen, de Ilias, de vorming van kristallen, de 'Zauberflöte' van Mozart, en de werking van een motorfiets, aan een 'grammatica' toe die aan alle schepping ten grondslag zou liggen, en die men niet straffeloos kan negeren.

Die ingebouwde esthetiek heeft echter niet verhinderd dat aan het eind van de vorige eeuw een artistieke voorhoede zich loszong van de voorschriften van melodie, metrum, en gulden snede, en een desperado kunst heeft voortgebracht die alle regels overtrad. Turner somt met wellust Amerikaanse voorbeelden van excrementele en 'toevals'-kunst op waarin de Nederlander moeiteloos de wansmaak herkent die ook hier musea en galerieën ontsiert. The Culture of Hope houdt een vurig pleidooi voor eerherstel van een klassieke cultuur, die behalve een strenge esthetiek ook ethische en wetenschappelijke normen hooghoudt. De schrijver meent dat daar nu tijd en gelegenheid voor zijn want, mochten een eeuw geleden de nieuwe ontwikkelingen in mathematica en fysica de veronderstelling van een chaotische heelal wettigen, het natuurwetenschappelijk onderzoek van na de Tweede Wereldoorlog wijst weer in de richting van universele orde en doelmatigheid. Grondslagenonderzoek naar de oorsprong van het heelal, deeltjesfysica en evolutieleer suggereren een gemeenschappelijke afkomst en bestemming van het zijnde, en desondanks blijft de culturele elite halsstarrig vasthouden aan hokjes- en doemdenken in de vorm van ecologisme, feminisme, freudianisme en structuralisme.

Schaamteloosheid

De zonde waaraan dit bonte gezelschap zich volgens Turner schuldig maakt is 'schaamteloosheid'. Aan het begin van alle beschaving staat schaamte over onze geile en gewelddadige driften, over onze geboorte 'inter faeces et urinam' en over de ontbinding in het graf. Brandoffer, tragedie, koningsdrama, harmonieleer en perspectief, al die prestaties zouden een bekentenis èn overstijging van dat onbehagen zijn. Waarmerk van de klassieke cultuur is de hoop op beterschap. Opzichtig vertoon van onze lagen en listen, opgedist in Artauds 'theater van de wreedheid' of opgediept uit de psycho-analytische folterkamer, voert tot wanhoop en zelfbeklag. De moderne laster en smaad over onze drijfveren verdonkeremanen de gouden verten waarvoor wij geboren zijn.

Tegenover de kwade spreuken van vijandige vrouwen, wanhopige milieu-activisten en cynische freudianen brengt Turner krachtige bezweringen in stelling. De feministen worden om de oren geslagen met een nieuwe ridderlijkheid die over de mannen vaardig gaat worden, de ecologen krijgen te horen dat 'Gaia', de natuur, altijd weer opnieuw geboren wordt uit alle catastrofes, en tenslotte wordt iedere somberling het zwijgen opgelegd met een college dat in navolging van Thomas van Aquino 'de ketting van het bestaan' heet. Turner vertrekt van de Big Bang, beleeft het ontstaan van energie, materie, leven en technologie, en belandt ten slotte aan boord van bemande ruimteschepen die met behulp van fractaal-wiskunde andere planeten koloniseren. En passant wekken ze daar op aarde uitgestorven diersoorten met biotechnologie tot nieuw leven. Tegen het einde van het boek herinnert de schrijver zich dat hij behalve de zingeving van het heelal de lezer ook nog een proeve van positieve kunst schuldig was. Hij presenteert vervolgens een dialoog tussen twee echtelieden halverwege de volgende eeuw. De man, beschaafd en geresigneerd, vindt het op zijn negentigste tijd voor afscheid nemen; de vrouw, warmbloedig en avontuurlijk, zou graag gebruik maken van de nieuwe kansen die een gen-mutatie biedt, en de eeuwige jeugd deelachtig worden. De uitvinding van het levenselixer zet man en vrouw, en ons, aan het denken over hou en trouw bij het bereiken van je 650ste verjaardag. Als voorschot op het klassieke theater van de toekomst maakt de sketch niet veel indruk, maar hij is wel illustratief voor het grote belang dat Turner hecht aan de huwelijksband. Na de introductie van schaamte als desem van alle cultuur begrijpt de lezer al gauw dat de beschaving van seks het meest te vrezen heeft. Het bewonderenswaardige gemak waarmee Turner de laatste nieuwtjes uit biologie en astrofysica in zijn opgang der mensheid verwerkt, bezorgt de lezer een gevoel van 'déjà-vu'.

Tegenspraken

Eerder (1955) is het verschiet van een punt 'omega' waarin alle soortelijke verschillen opgeheven worden door de pater-paleontoloog Teilhard de Chardin op papier gezet, en een decennium later (1964) wenste de media-filosoof Marshall McLuhan de mensheid een goede reis naar de 'global village'. In alle drie gevallen is de inspanning waarmee een baaierd van feiten in het futuristisch gelid gebracht wordt imposant. Maar met de troebele werkelijkheid hebben visioenen vaak weinig geduld. Politiek bijvoorbeeld plegen dergelijke schrijvers op zijn best als een welkom vehikel, en op zijn slechtst als een lastig obstakel voor het bereiken van de verheven bestemming te beschouwen. De pijn en moeite die de schepping hier en nu te doorstaan heeft, interesseert de profeet alleen in zoverre die met zijn dierbare lijnen en patronen corresponderen. De onverschilligheid van het boek tegenover de geschiedenis doet onwillekeurig denken aan de nonchalance waarmee veel totalitaire retoriek over de offers voor de toekomst spreekt.

Turners kritiek op de morbiditeit en zelfhaat waaraan zoveel modernisme lijdt, is scherpzinnig en zijn poging tot synthese is bij vlagen adembenemend. Toch valt er weinig hoop uit dit verbeten classisisme te putten.

De evidente tegenspraken die er nog altijd bestaan tussen het goede, het ware en het schone worden ook door zijn halsbrekende toeren met wetenschap en kunst niet opgeheven. De grootschalige vernietiging van leven, van mensen en dieren, laat zich niet verrekenen met een imaginair batig saldo aan het einde der tijden. Turners esthetiek van 'de wondere wereld' berust op een uitdrijving van kwaadsprekers, zwartkijkers en onrustzaaiers, en hoop gebouwd op anesthesie van de geschiedenis is ijdele hoop.