Regenwoud

MARCUS COLCHESTER: Forest Politics in Surinam

95 blz., International Books 1995, ƒ 25,-

De kans grote oppervlaktes ongerept tropisch regenwoud voor toekomstig generaties te bewaren is “praktisch nergens ter wereld” zo groot als in Suriname, schreven internationale milieuorganisaties begin jaren negentig. Maar sinds 1992 heeft de Surinaamse regering, in haar jacht op deviezen, grote mijnbouw- en houtkapmultinationals toegelaten tot het binnenland. Over de praktijken van deze consortia is vrij veel ophef geweest in de pers, waarbij vooral het omstreden Indonesische concern MUSA veel aandacht kreeg. Marcus Colchester, onderzoeker bij de Britse World Rainforest Movement, heeft de recente ontwikkelingen op een rijtje gezet in Forest Politics in Surinam, geschreven mede op verzoek van Surinaamse natuur- en mensenrechtenorganisaties.

Op papier is er weinig mis met het bosbeleid in Suriname. De boswet die in 1992 werd aangenomen is strenger dan in veel vergelijkbare ontwikkelingslanden. Maar toen het ook in eigen land omstreden MUSA in 1993 een kapconcessie kreeg voor 150.000 hectare regenwoud, werd de wet grotendeels genegeerd: er was geen inventarisatie gemaakt van de soortenrijkdom in het desbetreffende gebied, noch was er een bosbeheerplan met maximale kapquota per boomsoort. Verder was MUSA niet in staat het hout ter plekke te verwerken, wat werkgelegenheid zou hebben opgeleverd.

MUSA kon ongehinderd haar gang gaan met waar de ondernemning ook in eigen land berucht om werd: rücksichtlose houtkap zonder rekening te houden met de gevolgen. Van de Surinaamse dienst voor bosbeheer had en heeft ze weinig te vrezen. Halverwege de jaren tachtig had deze dienst twintig kampen in het binnenland van waaruit toezicht werd gehouden op de houtkap. Maar sinds in het gebied de burgeroorlog begon, gingen bijna alle kampen verloren. Op dit moment beschikt de dienst over welgeteld vier 'boswachters', twee jeeps en enkele gemotoriseerde kano's, schrijft Colchester.

Het MUSA-contract is tekenend voor het gemak waarmee grote multinationals te werk kunnen gaan. Zo kreeg ook de Canadese mijnbouwonderneming Golden Star Resources toestemming te onderzoeken of er goud te winnen was in het binnenland, zonder dat afspraken waren gemaakt met de plaatselijke bewoners, de Marrons of bosnegers. Het werd de Marrons, die veelal leven van goud zoeken op kleine schaal, onmogelijk gemaakt hun activiteiten voort te zetten in het gebied dat Golden Star exploreerde. Veiligheidsmensen van het bedrijf schoten zelfs op de Marrons, aldus mensenrechtenactivist Stanley Rensch dit najaar.

Golden Star is overigens mede-eigenaar en 'ontwerper' van de Omai-goudmijn in buurland Guyana, de grootste open goudmijn van Zuid-Amerika, waar zich in augustus een gigantische milieuramp afspeelde: door een dambreuk stroomde vier miljard liter afvalwater met hoge concentraties cyanide en zware metalen de Guyanese wateren in, met massale vissterfte als gevolg. Colchester laat dat laatste onvermeld, zoals hij ook weinig vertelt over de dubieuze activiteiten elders in de wereld van MUSA en van Berjaya, het Maleisische houtkapbedrijf dat aast op een concessie voor één miljoen hectare in Suriname. Dat is een gemis in dit overigens informatieve boekje.

De presentatie van de vele feiten die Colchester geeft zijn wat brokkelig en onoverzichtelijk en soms is zijn toon te verontwaardigd. Maar er ìs ook reden tot zorg. Dat is inmiddels doorgedrongen tot de Surinaamse Assemblée, die het besluit om Berjaya een houtkapconcessie te verlenen heeft uitgesteld, en tot de inter-Amerikaanse ontwikkelingsbank IDB die bereid is gebleken fondsen en leningen te verstrekken als de Surinaamse regering afziet van grootschalige bosexploitatie. Geheel verloren is het Surinaamse regenwoud dan ook nog niet.