Paarden

ELWYN HARTLEY EDWARDS: Encyclopedie van het Paard

400 blz., geïll., Van Reemst/Standaard Uitgeverij 1995, Vertaling Willemien Werkman (The Encyclopedia of the Horse, 1994), ƒ 129,-

De inhoudsopgave doet denken aan een absurdistische tekst van Borges. En dus begint de kilo's zware Encyclopedie van het Paard met een lach. De Britse paardenkenner Elwyn Hartley Edwards verdeelt zijn 400 pagina's omvattende boek in tien hoofdstukken, waaronder de geschiedenis van het paard ('de weg naar equus'), het vroegste gebruik (gevlekte paarden, domesticatie, strijdwagens en ruitervolken), de klassieke rijkunst, de invloed van de pony, het werkpaard (jaagpaarden, het boerenpaard, mennen met eigen voertuig), het paard in de oorlog en het sportpaard. Deze hoofstukken lardeert Edwards met beschrijvingen van zo'n 150 paardenrassen uit de hele wereld.

Met behulp van duidelijke, fraaie kleurenfoto's legt hij de voor- en nadelen van elk raspaard uit, hij gaat in op de anatomische eigenaardigheden, vorming, ontwikkeling, bespreekt voor welke arbeid welk ras het meest geschikt is en illustreert met duidelijke kaartjes waar de paarden vandaan komen. Een handzame geografische waaier ontstaat er zo. Wie geïnteresseerd is in de aanschaf van een bijzonder paard, kan via Edwards' naslagwerk de verblijfplaatsen en stoeterijen van Missouri Fox Trotters, Japanse Hokkaido's of Russische Basjkirs opsporen. Maar ook de liefhebbers van 'gewone' KWP-ners, Engelse volbloeds en Arabieren komen aan hun trekken.

Edwards' boek nodigt uit tot bladeren, lezen en kijken, wegleggen, weer oppakken en opnieuw bladeren, lezen en kijken. Dat is meer dan enige andere paardenencyclopedie tot nu toe deed. Slaapverwekkend is Edwards nooit. En passant wordt de lezer verduidelijkt wat de ideale omvang van een pijpbeen is, waarom een platte borst belangrijk is voor een trekpaard en schuine schouders het galoppeervermogen van een paard ten goede komen. Het zijn feiten die veel fokkers, handelaren en eigenaren van paarden bekend in de oren zullen klinken, maar voor de amateur leerzaam zijn.

Ook de stukjes over beroemde paarden - Wellingtons schopgrage Copenhagen, Napoleons sneeuwwitte schimmel Marengo - zijn curieus om te lezen. En nooit geweten dat de verlichte zit pas aan het eind van de negentiende eeuw door de Italiaanse kapitein Federico Caprilli (1868-1907) werd uitgevonden. Hoe hebben ruiters al die eeuwen daarvoor in hemelsnaam de rengalop en het springparcours kunnen volhouden al klevend op de rug van het paard?

Behalve foto's van voorbeeldig getoiletteerde en vierkant staande paarden die je in ieder naslagwerk over paarden aantreft, heeft Edwards gezocht naar schilderijen, affiches en standbeelden met paarden. Het grappigst zijn de historische foto's. Zoals die ene uit de Eerste Wereldoorlog waarop schimmels in een eindeloze rij staan te wachten om bruin geverfd te worden: een ideale schutkleur tijdens de slag. Of een opname van Darwin te paard. Strak in het pak poseert de geleerde, met kachelpijphoed en grijze baard. Alleen die vervloekte volbloed van hem wil zijn hoofd maar niet stil houden. Als gevolg daarvan zweeft nu op de foto een mistig paardenhoofd dat de spot drijft met de ernst van de natuurvorser. Mislukt, moet Darwin hebben gedacht toen hij de afdruk zag. Wat De Encyclopedie van het Paard verrassend en opmerkelijk maakt is die merkwaardige hutspot van hippische wetenswaardigheden, historisch fotomateriaal, schilderijen en zakelijk stamboeknieuws die de indeling in hoofdstukken op het eerste gezicht zo arbitrair maakte. Edwards heeft met dit boek geen wetenschappelijke encyclopedie samengesteld, maar een persoonlijke lofzang op alles wat met paarden te maken heeft.