Humanisme tussen de hoeren; Emmanuel Le Roy Ladurie en zijn middeleeuwse familiekroniek

EMMANUEL LE ROY LADURIE: De eeuw van de Familie Platter (1499-1628). Deel I, De schooier en de geleerde

464 blz., geïll., Bert Bakker 1996 (vert. Marianne Gaasbeek e.a. van Le siècle des Platter 1499-1628. I, Le mendiant et le professeur), ƒ 65.- (geb.) en ƒ 49,90 (pbk)

Pétainiste op zijn twaalfde, stalinist op zijn twintigste, auteur van twee dikke dissertaties op zijn zevendertigste en hoogleraar aan het Collège de France op zijn vierenveertigste. De politieke oriëntatie van de historicus Emmanuel le Roy Ladurie is misschien niet helder en standvastig te noemen, maar een goede fee waakte over zijn wetenschappelijke carrière.

De afgelopen jaren hoorden we wat minder van de wereldwijd gevierde auteur van de onverbiddelijke geschiedkundige best-seller Montaillou. Hij leek te zijn opgeslokt door de organisatorische beslommeringen die het directeurschap van de Bibliothèque Nationale met zich bracht. Maar nauwelijks bevrijd van de bibliothecaire verplichtingen wierp hij zich op een nieuw, meerdelig project waarvan vorig jaar het eerste deel verscheen en de Nederlandse vertaling thans reeds ten doop gehouden wordt: Le siècle des Platter 1499-1628 - De eeuw van de familie Platter.

Het is een werk waarin de Franse historicus, net zoals in Montaillou, een bekende historische bron, de dagboeken van de familie Platter, gebruikt om een fris beeld van het dagelijks bestaan in de middeleeuwen te scheppen. Deze aanpak lijkt het patent van Le Roy Ladurie, die wellicht door zijn bochtige levensloop het gevoel voor de veelvormigheid van de menselijke geest kreeg dat men zelden op de universiteit leert.

Emmanuel werd geboren in 1929 en groeide op in een milieu van Normandische grootgrondbezitters waarin de Revolutie werd verafschuwd. Zijn grootmoeder had een portret boven de schoorsteen hangen van Charlotte Corday, die de razende revolutionair Marat in het bad doodstak en na te zijn geguillotineerd als martelares werd vereerd. Zijn vader werd in 1942 minister van landbouw onder de collaborerende maarschalk Pétain maar ging daarna actief het verzet in. Emmanuel werd ondertussen braaf lid van de door het Vichy-bewind gestimuleerde padvinderij. Na de oorlog werd hij toegelaten tot de Ecole Normale Supérieur in Parijs waar op dat moment de invloed van het communisme prominent was. In 1949 trad hij toe tot de Parti Communiste en ontpopte zich tot vurig bewonderaar van Stalin.

Le Roy Ladurie volgde kortom het klassieke patroon van een volgzame zoon die rebelleert tegen zijn vader. Hij was met overgave lid van de partij en deed ook het minder frisse politieke 'handwerk' van de Parijse communisten. Tussen de bedrijven door behaalde hij in 1953 de agrégation, het uiterst selectieve concours voor de aantrekkelijkste banen in het middelbaar onderwijs en werd hij als leraar in Montpellier benoemd. In het kader van zijn militaire dienstplicht zat hij korte tijd, als een communistische eend in een vreemde bijt (tegelijk met onder meer Le Pen), in een opleiding voor reserve-officier. Dat was geen succes en Le Roy Ladurie werd overgeplaatst naar Duitsland waar hij Marokkaanse soldaten Frans leerde en wist uit te leggen dat de aarde om de zon draait en niet omgekeerd.

Twijfels

Langzaam ontworstelde Le Roy Ladurie zich aan de politieke en sociale wurggreep van de Parijse communisten. Zijn ideologische twijfels waren al geruime tijd aan het groeien, maar het zou tot de inval in Hongarije duren voor hij definitief met de partij brak. Op 4 november 1956 hoorde hij 's avonds in bed het bericht op de radio. Hij sprong meteen op zijn solex en leverde zijn lidmaatschapskaart in. Zijn vrouw, dochter van een groot communistisch verzetsman uit Montpellier, zou nog wachten tot 1963 alvorens zij uit de partij stapte. Le Roy Ladurie bleef overigens politiek zeer betrokken maar schoof zoetjesaan meer naar rechts op, van socialisme naar een gematigd neoliberalisme.

Zijn politieke jeugdzonden heeft Le Roy Ladurie in 1982 openhartig te boek gesteld in Paris-Montpellier PC-PSU 1945-1963. Het parcours valt trouwens enigermate banaal te noemen voor een lid van de toenmalige Franse intelligentsia. Er waren talloze dolenden zoals hij. Toch blijft het in terugblik steeds weer verbijsterend dat hooggeschoolde mensen zulke oogkleppen kunnen bezitten. Aangezien de PC in Frankrijk aan het begin van de jaren tachtig op zijn retour was, is Le Roy Ladurie wel verweten met zijn afrekening op een terminale patiënt in een ambulance te schieten. Maar waarom zou er een Chinese Muur opgetrokken moeten worden tussen fascisme en communisme die elke vergelijking verbiedt, aldus Le Roy Ladurie. Het zijn beide vormen van pervers universalisme gebaseerd op de radicale uitsluiting van bepaalde groepen. Hij schroomde dan ook niet de rol van de militante Russische communisten te vergelijken met die van de Duitse SS'ers.

De destalinisatie baarde in Frankrijk een hele groep jonge onderzoekers. Zelf sloot Le Roy Ladurie zich tien jaar op in bibliotheken en archieven. Toentertijd waren voor een doctorat d'Etat nog twee proefschriften vereist, de grote en de kleine thèse. Deze huiveringwekkende barrière in het Franse hoger-onderwijssysteem van weleer, die kaalslag onder talent, echtscheidingen en zelfmoorden tot gevolg heeft gehad, leidde in het geval van Le Roy Ladurie tot twee dikke en meesterlijke boeken: de een over de geschiedenis van het klimaat en de ander over de boeren in Languedoc.

Het eerste boek is een methodologische oefening, een zoektocht naar de manier waarop via boomringen, data van druivenpluk (eerder na warme zomers) en verschuiving van gletsjerfronten, de geschiedenis van regen en zonneschijn gereconstrueerd kan worden. Het was eigenlijk een bijprodukt van zijn onderzoek naar het boerenbestaan waarmee hij van jongsaf aan vertrouwd was, maar nu in het zuiden van Frankrijk. Begonnen als een kwantitatief onderzoek naar de omvang van het grondbezit en gebaseerd op de kadastrale bronnen, mondde het uit in een veelomvattende beschrijving van het boerenbestaan van voor de Revolutie. Uitgangspunt was Marx geweest, maar Le Roy Ladurie's werk over de Languedoc werd een bevestiging van de ideeën van dominee Malthus.

In eerste instantie had hij gezocht naar de oorsprong en groei van de bezitsverhoudingen, naar een toenemende greep van stedelijke kapitalisten op het grondbezit. Uiteindelijk kwam hij uit op een genuanceerde beweging waarin perioden van groei van grootgrondbezit afgewisseld werden met perioden van verbrokkeling van eigendom.

De oorzaak lag in de meedogenloze interactie van demografie en agrarische produktie, van beschikbaar voedsel en te voeden monden. De oude, voornamelijk agrarische wereld had een keihard plafond bezeten waar het bevolkingsaantal niet straffeloos bovenuit kon stijgen. Als de bevolking te snel groeide, begonnen hongersnoden en epidemieën de bevolking te decimeren. Na verloop van deze rampen kon een samenleving zich weer een beperkte groei veroorloven. Malthus had dit tot zijn droefenis ontdekt, net op het moment overigens dat onder invloed van de Industriële Revolutie een einde zou komen aan deze fatale wisselwerking.

Maagdelijk terrein

In de tweede helft van de jaren zestig was Le Roy Ladurie verbonden aan de befaamde VIe Section van de Ecole des Hautes Etudes en behoorde hij tot de eerste generatie historici die gebruik wist te maken van de computer voor kwantitatieve onderzoekingen. Van alles werd met enthousiasme uitgeprobeerd, het was maagdelijk terrein en de perspectieven leken onbegrensd. Niet alleen werden er eindeloze tabellen en statistieken gewijd aan voor de handliggende onderwerpen zoals graanprijzen, bevolkingsaantal, vruchtbaarheid van de vrouw en huurprijzen, maar ook aan de lichaamslengte van de dienstplichtigen en het ontbreken van duimen, wijsvingers of tanden (niet zelden opzettelijk weggezaagd om aan de dienstplicht te ontkomen).

In 1973 was Le Roy Ladurie de aangewezen opvolger aan het Collège de France van de befaamde Fernand Braudel, die op zijn beurt edeloudvader van de moderne Franse geschiedschrijvers Lucien Febvre was opgevolgd. Zij vormen de briljante leiders van drie opeenvolgende generaties Franse historici. Dat is succesvol benoemingsbeleid, gebaseerd op een systeem van coöptatie van kwaliteit door kwaliteit. Le Roy Ladurie schrijft met meer gemak dan Braudel en lijkt in dit opzicht meer op Febvre.

Van het begin af aan heeft Le Roy Ladurie naast zijn grote honger naar cijfers, ook trek gehad in de historische lekkernij. In zijn eigen woorden: de historicus moet niet alleen een parachutist zijn maar ook een truffeljager. Naast het grote onpersoonlijke overzicht koestert hij tevens het menselijk detail, en wil het één niet los zien van het ander, zoals al bleek in zijn dissertaties. Op eclatante wijze bewees hij dat opnieuw met Montaillou, waarin hij voor het grote publiek duidelijk maakte wat de nieuwe wijze van geschiedschrijving inhield.

Over het succes van dit boek over een ketters dorp in de Pyreneeën omstreeks 1300 is al veel geschreven. De truffel is hier het dossier van inquisiteur Jacques Fournier, bisschop van Pamiers, die zo trots op zijn werk was dat hij zijn dossier meenam toen hij tot paus in Avignon werd benoemd. Vandaar verhuisde het naar de bibliotheek van het Vaticaan, waar het onder stof bedolven bleef tot het aan het einde van de negentiende eeuw werd teruggevonden. Sindsdien werd de tekst weliswaar bestudeerd en uitgegeven, maar het was Le Roy Ladurie die Montaillou herschiep tot een levende middeleeuwse gemeenschap en steeg daarmee ver boven de bronnen uit. Hij reconstrueerde de spanning tussen de sedentaire boeren en de trekkende schaapherders, tussen de wereld van de schuur en de wereld van de herdershut. En dan is er het pittoreske potentieel van de hoofdpersonen: Pierre Maury, de herder, die zich rijk en gelukkig voelt omdat zijn hele bezit alleen maar kan bestaan uit dat wat hij mee kan nemen; Pierre Clergue, de machtsbeluste en overspelige pastoor; de lichtontvlambare kasteelvrouwe Béatrice de Planissoles.

De verteltechniek die Le Roy Ladurie met succes hanteerde, was die van de ingelaste dialoog die hij min of meer in de bronnen terugvond. Het zijn dus niet de fictieve redevoeringen die wij van de historici uit de oudheid kennen, maar het lijkt er toch wel een beetje op. Critici mochten hierover vallen, net zoals over de vele herhalingen in de tekst, maar Montaillou vond talloze lezers over de gehele wereld.

Wat te doen na zo'n succes? Snel nog een keer proberen. Het resultaat was Le carnaval de Romans, een boek over een kleurrijke episode waarop Le Roy Ladurie in zijn onderzoek voor zijn dissertatie was gestuit: twee wilde carnavalsweken in februari 1580 in een stad in de Dauphiné, waar een beerput van sociale spanningen open ging. Burgers staan er tegenover de adel die geen belasting betalen wil, ambachtslieden voelen zich uitgeknepen en de boeren worden uitgeperst door de landeigenaren. Het resultaat is een bloedig feest in een woud van symbolen en met een schimmig collectief onderbewuste. Le Roy Ladurie pulkte het gebeuren van alle kanten uit en voorzag het van een moderne antropologische analyse. Het resultaat was evenwel teleurstellend: het boek doet wat gewild aan en de lezer mist eenvoud en een identificatiepunt.

Beerput

In de jaren tachtig volgden nog onder meer twee delen politieke geschiedenis van Frankrijk gedurende het Ancien Régime, een opmerkelijk onderwerp en signaal van de terugkeer van de politieke geschiedenis als salonfähig onderwerp. Naast zijn professoraat aanvaardde Le Roy Ladurie tevens zeven jaar lang, van 1987 tot 1994, de functie van hoofd van de Bibliothèque Nationale, wellicht een symptoom van een verminderde interesse voor het historische werk, waarin hij alles gezegd leek te hebben.

Maar nu is er zijn comeback als geschiedschrijver met De eeuw van de familie Platter. Het boek verhaalt over het leven van Thomas Platter en zijn twee zonen, Félix en Thomas de Jongere. De belangrijkste bron - de truffel waarnaar Le Roy Ladurie altijd op zoek is - zijn hun dagboeken. Het een tekst waarvan al talloze malen gebruik is gemaakt, maar zelden is dat gedaan met zoveel inventiviteit en inleveringsvermogen. Vanaf de eerste bladzijde wordt de lezer meegenomen in het tafelgesprek tussen de dominante oude vader, schoolhoofd te Bazel, zijn zoon, de jonge succesvolle arts, diens schichtige vrouw en andere genodigden.

Vader Platter was helemaal van onderaf begonnen als arme herdersjongen, zwervend bedelaar, touwslager, drukker. Na tal van andere beroepen, slaagde hij er in met vallen en opstaan in Bazel een internaat te bestieren dat wijd en zijd goed bekend stond. De kostgangers sliepen met twintig man in de schuur en zijn immer hardwerkende echtgenote had de zorg voor de maaltijden.

De kostschool bleek een meer gestage bron van inkomsten dan de drukkerij. Zijn meest succesvolle uitgave was de Institutio van Calvijn in maart 1536, maar het drukkersbestaan in deze tijden bleek zeer ongewis. Profijtelijker bleek de handel in huizen die Thomas Platter, net als vele andere protestanten, kocht van de katholieke clerus die was uitgeweken voor de succesvolle prediking door Oecolampadius, de grote hervormer van Bazel.

Bordeel

Het leven van Thomas Platter geeft een fascinerend beeld van de zelfkant van het humanisme. In de intellectuele geschiedenis van West-Europa worden de humanisten doorgaans schoon gepoetst tot smetteloze helden van de geest. In dit boek echter wordt Euripides in een bordeel van annotatie voorzien en wordt Plautus bestudeerd tijdens het vlechten van touw. De vermaarde universiteit van Bazel blijkt een uitpuilende vergaarbak van docenten die allemaal wanhopig op zoek zijn naar bijverdiensten om in het eerste levensonderhoud te voorzien.

Zoon Félix zou het gaan maken. Hij werd naar de beroemde medische faculteit van Montpellier gestuurd, en keerde pas na vijf jaar studie en een lange reis via Bordeaux en Parijs, weer in Bazel terug. Na zo'n puike opleiding zou hij het doctoraat in Bazel als een peuleschil moeten beschouwen, hoewel de hoogleraren van de promotiecommissie diverse malen met drank en voedsel onthaald dienden te worden om zeker te zijn van een schitterende promotie.

Over de kostelijke avonturen van de oude Platter schrijft le Roy Ladurie met de meeste vaart. Met scherp oog voor de agrarische details tekent hij hoe voor de arme herdersjongen een gestroopte gans het toppunt van rijkdom uit het laagland is, hoe de zoon in Montpellier voor het eerst een kalkoen ziet (uit Amerika geïmporteerd, net als de cactus en de syphilis) en hoe hij de lente in Montpellier beleeft die zo'n totaal andere bloei kent dan die in het vertrouwde Bazel.

De psychologische tekening in De eeuw van de familie Platter brengt ook de vrouwenfiguren tot leven. De afgesloofde echtgenote wier boze buien de oude Platter liefdevol en vergoelijkend doorstaat. De ganzenhoedster, een oude liefde die hij vele jaren later weer ontmoet en zo oud en lelijk geworden vindt - zonder dat hij zelf in de spiegel keek, voegt de auteur met recht toe. De geliefde zus die met ringen van vers geslacht kippevlees rond de vingers de toekomstige arts de stuipen op het lijf jaagt. De vrouw van Félix die geen kinderen zal krijgen en zich op ontroerende wijze indentificeert met de oudtestamentische Sara. Natuurlijk het is petite histoire, maar het is ook grote geschiedenis, zo dichtbij na vierhonderd jaar.

De flarden van gesprekken worden door Le Roy Ladurie fraai ingelast in het verhaal, maar het commentaar bevat ook wel veel schuim. In dit boek mist men de nuchtere stijl waarmee over de boeren in Languedoc werd geschreven. De compositie is soms nogal wild gecompliceerd en ook nu weer zitten er veel herhalingen in de tekst, wat overigens als voordeel heeft dat het boek op elke pagina ter hand genomen kan worden zonder dat men de draad kwijt raakt.

De Nederlandse vertaling weet de vaart er vaak in te houden en dat is een verdienste, maar helaas staan er ook vele beroerde zinnen in en enkele akelige fouten. Waarom kon er nu niet een grondige redactionele bewerking en correctie van af? Dat had de auteur toch wel verdiend. Doch laten wij niet al te zuur eindigen. De eeuw van de familie Platter, in het Frans of in het Nederlands, is voor de gevoelige lezer een geslaagd specimen van existentiële geschiedenis.

    • Pim den Boer