Het grote begrip voor de Janmaten

JAAP VAN DONSELAAR: De staat paraat? De bestrijding van extreem-rechts in West-Europa

380 blz., Babylon-De Geus 1995, ƒ 47,50

JOS VAN DER VELPEN: Zwarte horizonten. Radicaal rechts in Europa

280 blz., Van Halewyck/Papieren Tijger 1995, ƒ 34,90

Alles went. De Centrumdemocraten Janmaat en Schuurmans achter hun bloemstukje in de zendtijd voor politieke partijen, een betoging van nazi-skins van CP'86 met Keltenkruizen, bomberjacks en vechtpetjes: het heeft de schijn van onschuldige folklore.

Extreem-rechts is tijdelijk van de politieke agenda afgevoerd. De Centrumdemocraten zijn bezig te herstellen van hun rampzalige overwinning bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994, met vele kandidaten die bij nader inzien van hun zetel afzagen, naar de concurrentie overliepen of aangehouden werden wegens brandstichting, verzekeringsfraude, drugshandel of exhibitionisme. CP'86 zag een brutale campagne om de straat te veroveren beloond met een dreigend partijverbod. Het 'extreem-rechtse mozaïek' in Nederland vertoont inmiddels weer een geruststellende veelheid aan splinters, knokploegjes en éénmansorganisaties.

Toch biedt het dilettantisme van extreem-rechts weinig aanleiding om tevreden achterover te leunen. In de grote steden neemt de gettovorming toe, de segregatie binnen de jeugdcultuur wordt sterker. Ondanks de uitgebreide multiculturele propaganda van overheidswege begint het racisme steeds meer ingeburgerd te raken. Het wachten is op een Filip DeWinter om het reservoir van onvrede en xenofobie aan te boren en te activeren.

Mocht er een brede, extreem-rechtse beweging naar het model van het Vlaams Blok van de grond komen, is Nederland daar dan voldoende op toegerust? Met die vraag heeft Jaap van Donselaar, kenner van extreem-rechts, in opdracht van Binnenlandse Zaken het wapenarsenaal van de ons omringende democratieën tegen extreem-rechts onderzocht. De staat paraat? De bestrijding van extreem-rechts in Europa is een bijzonder informatieve en helder geschreven studie geworden.

De extreem-rechtse opmars van begin jaren negentig baart Van Donselaar zorgen. Soortgelijke hausses zijn er eerder geweest, begin jaren tachtig bijvoorbeeld, maar deze nieuwe golf begint vanaf een hoger plateau. In de opgaande spiraal schuift de tolerantiegrens van de democratie mee. Zo is men in België al blij dat het Vlaams Blok geen nieuwe monsterzege boekte maar 'gewoon' de grootste partij van Antwerpen bleef. De intrede in Italië van de post-fascisten van de MSI in het kabinet-Berlusconi leidde slechts tot een rimpeltje verontrusting. Le Pen van het Franse Front National behaalde vorig jaar 14 procent bij de Franse presidentsverkiezingen, zijn partij heeft burgemeesters in steden als Orange en Toulon. En in Duitsland is men al opgelucht dat het aantal extreem-rechtse gewelddaden in 1994 op 1.345 bleef steken, na de piek van 2.639 incidenten in 1992. In de jaren tachtig schommelde dat aantal onder de honderd.

Index

Het 'Wir sind wieder da' klinkt steeds overtuigender en dat maakt Van Donselaars pleidooi voor een 'weerbare democatie' relevant. Zijn onderzoek beperkt zich tot Frankrijk, België, Duitsland, Engeland en Nederland. Welke dammen hebben deze Westeuropese democratieën in het politiek systeem opgeworpen tegen extreem-rechts en hoe treden ze op tegen racistische of anti-democratische uitingen?

Genoemde landen kennen sinds de jaren zeventig bepalingen in de strafwet tegen racistische propaganda. In België zijn deze het zwakst, in Duitsland, dat al eerder aparte bepalingen tegen rassenhaat in de wet opnam, het sterkst. Frankrijk heeft in 1990 een bepaling opgenomen die ontzetting uit het passieve kiesrecht bij uitingen van racisme mogelijk maakt. In Frankrijk en Duitsland is er bovendien een index voor publikaties, beeld- en geluidsdragers die 'schadelijk voor de jeugd' zijn. Tegen 'revisionisme', zoals het ontkennen van de Holocaust, bestaan in diezelfde landen aparte bepalingen. Vrijwel overal zijn nu nazistische symbolen illegaal, terwijl Duitsland ook een verbod heeft gesteld op symbolen die bedoeld zijn als vervanging van nazistische symbolen, zoals het Keltenkruis van de Nederlandse CP'86 een doorzichtige variant op het hakenkruis is.

Of racisme ook effectief wordt vervolgd, is een tweede. Extreem-rechtse politici hebben geleerd hun denkbeelden te verhullen, terwijl de 'goede verstaander' heel goed begrijpt wat ze bedoelen; men denke aan slogans als 'ook joden moeten zich aan de wet houden' van Schonhüber van de Duitse Republikaner. Het openbaar ministerie ziet nogal eens af van vervolging uit vrees een zaak te verliezen of omdat daardoor een niet gewild underdog-effect zou worden geschapen. Van Donselaar vindt die vrees niet op haar plaats. Hij constateert dat Janmaat en Schonhüber, op het moment dat de druk op hun beweging werd opgevoerd, zich niet ontpopten als sympathieke underdogs, maar zich eerder gedroegen als “paniekerige herders”, die tevergeefs trachtten hun op hol geslagen kuddes in bedwang te houden.

Of de magistratuur stringent vervolgt, hangt ook af van de stemming in het land. 'Trigger events' spelen een cruciale rol. Het kan daarbij gaan om relatief onschuldige incidenten, zoals in Frankrijk de grafschennis op de joodse begraafplaats te Carpentras van 1990, maar ook om bloedige aanslagen als die in Mölln en Solingen van 1992 en 1993 of dreigende electorale successen van extreem-rechts in Nederland in 1994. Als het effect van zo'n gebeurtenis wegebt, verflauwt in de regel ook de justitiële aandacht.

De sterkste waarborg tegen politieke invloed van extreem-rechts vormt een districtenstelsel, meent Van Donselaar. Ook effectief is een kiesdrempel, zoals in Duitsland. Andere barrières zijn hoge waarborgsommen voor deelname aan verkiezingen of een zware handtekeningeneis. Als dat laatste, zoals in Duitsland, wordt gecombineerd met de dreiging van 'Berufsverboten', wordt het zeer onaantrekkelijk een extreem-rechtse lijst te ondertekenen.

De auteur vraagt zich af in hoeverre de democratische partijen een 'cordon sanitaire' rond extreem-rechts opwerpen. Meestal is dat formeel wel het geval, maar wordt achter de coulissen met de besmette tegenstander niet zelden contact gezocht. In Frankrijk hebben vrijwel alle partijen het Front National (FN) wel eens voor hun kar gespannen. Vaak gaat het dan om stembusakkoorden tussen rechts en het FN, maar ook de socialist Mitterrand manipuleerde in 1986 bij de parlementsverkiezingen nogal cynisch het FN door het districtenstelsel te vervangen door een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. De president hoopte zo onder meer een FN-blok in het parlement te krijgen en de rechtse meerderheid te verdelen.

Schijn van fatsoen

Overal hebben politici voorts, om extreem-rechts de wind uit de zeilen te nemen, extreem-rechtse programmapunten in verzwakte vorm overgenomen. Deze 'Bolkestein-strategie' is effectief, in weerwil van het dictum van Le Pen dat de kiezers het origineel boven de kopie verkiezen. Men kaapt stemmen weg - kiezers preferen toch een schijn van fatsoen - en dwingt extreem-rechts tot radicalisering. Tot een verheffend schouwspel leidt het echter zelden. Bovendien dringen de partijen de allochtonen aldus in een isolement, merkt Van Donselaar op. Als extreem-rechts oprukt en politici reageren door voortdurend op aanpassing te hameren en de grenzen te sluiten, komt dat de integratie niet ten goede.

Van groot belang acht Van Donselaar de vrijheid van vergadering en van demonstratie. Op dit punt is Nederland niet helemaal zuiver op de graat. Met 'de openbare orde' hoog in het vaandel verbieden burgemeesters stelselmatig betogingen en vergaderingen van extreem-rechtse groeperingen. Mede daardoor zijn CD en CP'86 in Nederland 'spookpartijen' gebleven, met een smalle top, zonder partijkader en vrijwel zonder contact met de achterban.

Van Donselaar ziet de politieke shows van meester-redenaar Le Pen, die voetbalstadions vol krijgt, als een belangrijke graadmeter voor de stabiliteit van het Front National. Ook het Vlaams Blok bleek door dit soort bijeenkomsten in staat een 'wij-gevoel' te scheppen. Duitsland kiest sinds enige jaren voor repressie. Tot 1992 hadden de Duitse Republikaner een grote vrijheid om manifestaties te organiseren, maar na Mölln, Solingen en steeds massalere straatgevechten tussen skinheads en linkse 'chaoten' hebben de Duitse autoriteiten, met het spook van Weimar in het achterhoofd, eieren voor hun geld gekozen.

In zijn epiloog doet Van Donselaar enkele aanbevelingen voor Nederland. Het repressieve instrumentarium is op zichzelf afdoende, zo constateert hij, maar het politieke systeem is te toegankelijk voor radicale splinterpartijen. Hij pleit daarom voor een verzwaring van de handtekeningeneis en een verhoging van de waarborgsom, die de financiële risico's van verkiezingsdeelname vergroot. Ook wil hij de mogelijkheid scheppen om, net als in Frankrijk, politici die wegens uitingen van racisme worden veroordeeld het actieve kiesrecht te ontnemen en hij suggereert partijsubsidies of zendtijd voor politieke partijen in te trekken na een dergelijke veroordeling.

Uiteindelijk, zo concludeert Van Donselaar, blijft de staat echter in de bestrijding van extreem-rechts op het 'repressie-dilemma' stuiten. Hoever kan de overheid de grondrechten inperken van individuen die erin slagen net binnen de mazen van de wet te blijven? De keus kan in het ergste geval neerkomen op moord op de rechtsstaat.

Zover is het nog lang niet. Nederland heeft tot dusver de nieuwe nazi's en racisten klein gehouden door een beetje vals te spelen. Zo is het verbieden van betogingen waardeneutraal - een burgemeester mag een demonstratie niet verbieden wegens de inhoud, maar alleen wegens dreigende aantasting van de openbare orde. Toch verbieden burgemeesters extreem-rechtse betogingen in de volle wetenschap dat een botsing tussen wat kluitjes skinheads en 'antifa's' de Mobiele Eenheid minder werk bezorgt dan een gemiddelde 'risicowedstrijd' in de voetbalcompetitie. Dit valsspelen heeft tot dusver volstaan. Het moment lijkt nog niet rijp voor ingrepen in het kiesstelsel, waar ook andere kleine partijen onder zouden lijden. Maar, zoals Van Donselaar schrijft, een 'trigger event' - een racistische aanslag, een dreigende verkiezingsoverwinning - kan het klimaat snel doen omslaan.

In de koelkast

De Belg Jos vander Velpen, schrijver van Zwarte Horizonten, lijkt in paniek door de opmars van extreem-rechts in Duitsland, Oostenrijk, Italië en Frankrijk. Helaas leidt dit tot hijgerig en slordig proza. Storend zijn ook de eindeloze dwarsverbanden die de auteur legt tussen leger, kapitaal, politieke elite en extreem-rechts. Het boek ademt de belegen marxistische visie op het fascisme als Ausputzer van het grootkapitaal. Zo schrijft Vander Velpen over de Duitse Republikaner, die electoraal bijna van het bord zijn geveegd, dat “sommige leidende kringen de Reps altijd een beetje in de koelkast hebben gehouden voor slechte tijden”.

Bij lezing van Zwarte Horizonten krijgt men de indruk dat de nazi's, fascisten en Pétainisten onderhuids altijd aan de macht zijn gebleven. Clericale fascisten, neo-nazi's en reactionairen buitelen chaotisch over elkaar heen, verbonden door tussenzinnen als: “Maar er is meer!” De onderliggende bezorgdheid van Vander Velpen is overigens wel begrijpelijk. Een Europese democratie als Oostenrijk of Italië onder de knoet van neo-fascisten in driedelig pak: het kan dichter bij zijn dan we denken.