Het belang van turf

M.A.W. GERDING: Vier eeuwen turfwinning. De verveningen in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel tussen 1550 en 1950

533 blz., geïll., Hes 1995, ƒ 65,-

Er zijn historici die menen dat Nederland groot is geworden dank zij de turf - of tenminste dat de noordelijke provincies arm zijn gebleven door de turf. In Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel is tussen 1550 en 1950 naar schatting zo'n 100.000 hectare hoogveen en 42.000 hectare laagveen omgezet in deze brandstof. De turf uit het noorden voorzag omstreeks 1650 in 37 procent van de totale energiebehoefte van de Republiek. In de daaropvolgende eeuw werd dit percentage minder, maar tijdens de eerste helft van de vorige eeuw begon een hernieuwde opmars. In 1850 was de turf uit de noordelijke provincies goed voor eenderde van de totale energiebehoefte. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de import van steenkool sterk bemoeilijkt werd, bereikte de turfproduktie recordhoogten. Nadien kwam de turfwinning snel in een structurele crisis terecht. In 1939 was de turf nog slechts goed voor drie procent van het energieverbruik in Nederland.

De turfwinning is voor de vier noordelijke provincies van niet te onderschatten betekenis geweest. Tot circa 1850 was de turf de belangrijkste energiebron voor vrijwel alle sectoren van het maatschappelijk leven, zowel in de huishoudens als in de nijverheid en industrie. Vooral de steen- en pannenbakkerijen, de zoutziederijen, alsmede de brouwerijen en branderijen gebruikten bij voorkeur turf. De ruime beschikbaarheid van de relatief goedkope energiebron wordt wel aangevoerd als een van de belangrijkste achtergronden van de economische voorspoed tijdens de Gouden Eeuw. In de geschiedschrijving van afzonderlijke nijverheidssectoren blijft echter het punt van de energievoorziening vaak onderbelicht.

Michiel Gerding plaatst in zijn aan de Landbouwuniversiteit Wageningen verdedigde proefschrift de turf volop voor het voetlicht. In Vier eeuwen turfwinning worden op systematische wijze de ruim zeventig hoog- en laagveengebieden in de vier noordelijke provincies behandeld waar gedurende kortere of langere periode verveningsactiviteiten plaatshadden. Doordat de auteur een lange periode bestudeerde, is hij er goed in geslaagd de ruimtelijke en chronologische spreiding van de activiteiten te verduidelijken. Zo was er in het noorden van ons land in de eerste helft van de zeventiende eeuw een ware hausse in verveningsactiviteiten. In Friesland en Drenthe ging het vooral om verveningen door compagnieën die voor een belangrijk deel werden gefinancierd met kapitaal van buiten de regio. Kooplieden en andere notabelen uit Utrecht, Leiden en Amsterdam investeerden in de aankoop van venen en de aanleg van de waterwegen om de turfwinning mogelijk te maken. Maar veel 'buitengewestelijke' investeerders trokken zich al snel terug. Het tot ontwikkeling brengen van veengebieden bleek een moeizamer en kostbaarder zaak dan gedacht. Gerding toont aan dat de rol van plaatselijke initiatiefnemers en investeerders groter was dan vaak is verondersteld.

Kanaal

In Groningen speelde de overheid zelf een belangrijke rol. Het stadsbestuur van Groningen trad daarbij vaak als regisseur op. Toen er initiatieven werden ontplooid om de venen aan weerszijden van de Gronings-Duitse grens 'aan snee te brengen', nam het stadsbestuur meteen het voortouw. Het besloot, zoveel mogelijk in het geheim, voorbereidingen te treffen voor het graven van een kanaal op Gronings grondgebied, op veilige afstand van de nog omstreden grens met Drenthe. Voor de aankoop van veen in een strook van 250 meter langs de grens, werden stromannen ingeschakeld. Dezen kochten onder eigen naam veen van de eigenaren en verkochten dit vervolgens in het geheim door aan de stad. In 1765 werd besloten tot het graven van een vaart (het Stadskanaal) aan de noordzijde van de inmiddels verworven strook van 250 meter. De aanleg verliep langzaam: 400 meter per jaar. De politiek van het stadsbestuur was doeltreffend. Met de aanleg van het Stadskanaal werd de toegang van het Drentse veen tot de Groningse markt met succes geblokkeerd. Pas toen de eigen veengebieden niet meer toereikend waren, werd het Drentse veen tot de Groningse turfmarkt toegelaten. De strategie van het stadsbestuur was gericht op de bevordering van de stedelijke koophandel. Hiertoe moest het scheepvaartverkeer waar mogelijk door de stad geleid worden. Hoewel in den beginne de stad op het kanaal toelegde, werd het later een melkkoe. In de periode 1831-1848 bedroeg de winst bijna 700.000 gulden.

De verveningsactiviteiten hebben in grote delen van het noorden van ons land een metamorfose van het landschap teweeggebracht. Behalve op de dalgronden moet vooral gewezen worden op het indrukwekkende fijnmazig stelsel van kanalen en wijken dat ten behoeve van de turfwinning gegraven werd. Bij benadering zijn er in Noord-Nederland sinds de zestiende eeuw 46 kanalen gegraven met een totale lengte van circa 700 kilometer. Per veengebied was er daarnaast sprake van een veelvoud van waterwegen. Vanuit het hoofdkanaal werd het wijkenstelsel steeds verder vertakt, om de honderd meter was er wel een of andere watergang. Nadat de vervening was afgelopen bleef de vaarwegenstructuur vaak nog lang intact. Als de afgeveende grond tot landbouwgrond werd ontgonnen, kreeg het wijkenstelsel een functie in het afwateringssysteem. Bovendien deed het dienst bij de aanvoer van meststoffen en bij de afvoer van landbouwprodukten.

Aan het eind van zijn gedegen studie stelt Gerding zich de vraag of het noorden wat betreft de turf gezien moet worden als een wingewest of als trekpaard. De veel gehoorde uitspraak dat het noorden op het vlak van de energie altijd het wingewest van Nederland is geweest - eerst de turf, nu de olie en het aardgas - onderschrijft hij niet. De veenderij was wel een belangrijke stuwende bedrijfstak in de nationale economie, maar de stimulerende rol die de turfwinning voor de eigen regio speelde was groter. Of vooral in Groningen en Drenthe iedereen even gelukkig is met deze grondige bijstelling van het historische beeld is de vraag.

    • Cor van der Heijden