Freeport-mijn

Het gevaar is groot dat het verhaal dat Dirk Vlasblom vertelt in zijn serie artikelen in NRC Handelsblad van 5, 6 en 20 december over de Freeport-mijn niet de aandacht krijgt die het verdient.

Krantenlezers worden zó overspoeld met berichten over genocide en grootscheepse milieumisdrijven, dat één meer of minder er nauwelijks meer toe doet. Slechts enkelen zullen weten, dat wat er daar in het voormalig Nederlands Nieuw Guinea gebeurt nu net datgene is, wat de goede oude Luns heeft getracht te voorkomen. In het begin van de jaren vijftig ben ik als marine-arts ruim een jaar voor mijn nummer in Nieuw-Guinea geweest. Mijn schip, de Piet Hein, had de opdracht de Indonesiërs weg te houden uit onze toenmalige kolonie. Dat kostte niet veel tijd en daardoor had ik ruimschoots de gelegenheid om mijn taak als varende, soms vliegende, dokter te vervullen. In die tijd heb ik het gebied waar Vlasblom over schrijft en de uitgestrekte mangrovebossen er omheen goed leren kennen, het land en de bewoners. Die bewoners waren schitterende trotse mensen, die aan iedereen lak hadden en deden wat zij wilden: jagen, vissen, vechten en elkaar opeten. De natuur was van een onvoorstelbare schoonheid, de rivieren helder en schoon. In de verte zag je altijd de besneeuwde bergen die nu worden afgegraven. Zoals Wounded Knee symbool is voor het uitroeien van de Indianen, is Freeport dat voor de volkerenmoord op de Papoea's, die tot voor kort nog tevreden met een stenen bijl bomen stonden uit te hollen. Wij winden ons op over de Ogoni's, de Tutsi's, de Bosniërs en het milieu om de Kaspische Zee. Dat de bewoners van onze voormalige kolonie in Nieuw Guinea hetzelfde lot zouden ondergaan, genocide en verwoesting van hun milieu, wisten onze regering en Tweede Kamer vijftig jaar geleden maar al te goed, maar wij hebben het verdrongen.

    • M.N. van der Heyde