Een meubelstuk

Het maakt niet uit waar ik ben, in elke stad ter wereld waar ik bij mensen op bezoek ga, kom ik te zitten tegenover het meubel. Het meubel heeft alleen maar een voorkant, met de achterkant staat het tegen de kamerwand, het is dan ook een wandmeubel.

Het wandmeubel is een siergevel binnenshuis. Het is uit twee, of drie verticale delen opgetrokken, elk met een aantal verdiepingen. De onderkant is gesloten, met deurtjes, of ladefronten. Maar de bovenhelft heeft open planken, waarvan een aantal met glazen deuren is afgeschermd. Daarachter bevinden zich de voornaamste bezienswaardigheden. Soms steekt de onderkast naar voren en vormt het bovenblad een soort terras, net als de bovenplank, even onder het plafond. Het meubel is meestal uitgevoerd in donkerbruin gefineerd hout, met deuren van getint glas en verchroomd sluitwerk. Vóór het wandmeubel bevindt zich de zithoek, met driezitsbank, twee of drie fauteuils in bijpassende uitvoering en een ook al bijbehorende lage salontafel; ernaast een kleine tafel op zwenkwielen, met een televisietoestel boven, en onder de geluidsapparatuur, ook al in donkere kleuren en met een metalig accent.

Behalve in advertenties voor binnenhuisinrichting wordt een dergelijk ameublement uitsluitend beschreven in honende bewoordingen, voor een publiek dat beter weet en beter woont, 'Wandmeubel': knipoog.

Maar dit meubelstuk is vaderlandsloos, contextvrij, overal, en bovenal, van deze tijd. Het staat voor moderniteit, het is een teken van vooruitgang en ontwikkeling. Wie zo'n meubel in zijn kamer heeft staan, woont in een stenen huis aan een geplaveide weg, heeft een vaste baan en schoon werk. En dat meubelstuk is hetzelfde als overal ter wereld, omdat het de verwezenlijking is van een ambitie die overal hetzelfde is: de ambitie om net zo goed te zijn als de mensen overal elders in de grote, wijde wereld.

Omdat mijn gezelschap al gauw heeft opgegeven om terwille van mij Frans te spreken en zich onderling heel goed vermaakt in het Wolof, zit ik mij stierlijk te vervelen en heb alle tijd om het wandmeubel van onder tot boven op te nemen. En daar is het ook voor bedoeld, het dient om gedenkwaardige en bezienswaardige voorwerpen ten toon te stellen. Het is een eensgezinsmuseum. Achter glas zijn souvenirs uit verre landen uitgestald. Hier in Dakar zijn kleinigheden uit exotische, haast onbereikbare landen als Nederland of Oostenrijk zeer in trek en in Nederland staat in net zo'n wandmeubel de Afrikanerie. Maar mijn gastheer heeft porseleinen herderinnetjes, Delfts blauwe tegeltjes, koperen vaasjes, alles van grove, waarschijnlijk Chinese makelij, in een halve cirkel opgesteld rondom een goudpapieren model van Vaticaanstad (Moslims vinden de Paus pikant). En terwijl door de open ramen een cascade van bougainville en hangalampoe's te zien is, staat op het onderstel van het wandmeubel een boeket van plastic bloemen in kleuren waar de natuur na een miljard jaar evolutie zelf nog niet opgekomen is.

De souvenirs beduiden dat de bewoner verre reizen heeft gemaakt, of in ieder geval familieleden of kennissen heeft die op hun tochten aan hem gedacht hebben. Dit is de kosmopolitische vleugel van het huiskamermuseum.

Het tweede thema dat in het wandmeubel wordt bespeeld is dat van de Ontwikkeling (Literatuur, Kunst, Filosofie, Geschiedenis). Al is in huis verder geen boek aan te treffen, in het wandmeubel staan achter glas een driedelige encyclopedie, een fotoboek, de verzamelde gedichten van de eerste president, alles gebonden in goudgestempeld kunstleer of met kleurenplaat op de kaft, soms nog in het vacuumplastic waarin ze werden aangeschaft en steeds met een titel van zeer omvattende strekking als Wonderen der Techniek, Vrouwen van Afrika, de Mensheid op Weg, Schoonheid der Schepping. Dit zijn de blijken van algemene vorming en brede belangstelling. Het gaat hier niet zozeer om naslagwerken, maar meer om de identiteitsbewijzen van de bewoner als een geschoold, gediplomeerd en ontwikkeld persoon. De huisbibliotheek verwijst niet zozeer naar zijn eigen belezenheid alswel naar een universele cultuur die hij zich met dit boekenbezit heeft eigen gemaakt.

De derde vleugel van het huismuseum is gewijd aan de gezinsgeschiedenis. Hier staan de kleurenfoto's in verzilverde, vergulde, of rijk versierde houten lijsten, of nauwgezet ingeplakt in alweer kunstlederen albums: De oudste zoon in schooluniform met diploma, de huisvader in militair tenue, in reiskostuum te midden van congresgangers, met jasje, vest en das aan het banket van de Rotary Club; de moeder met twee dochters in traditioneel gewaad bij het werkbezoek van de Minister, het verenigde huisgezin in ceremoniële opstelling rondom de grootouders, ooms, tantes, neven en nichten. Alle personages zijn verstijfd van ernst, met glanzende konen onder het flitslicht, de ogen strak op de lens gericht die even strak teruggekeken heeft. In een reeks van honderdste seconden zijn de hoogtepunten van het gezinsleven belicht.

Eén thema ontbreekt in het wandmeubel: de religie. Daar gaat het in het huismuseum niet over. Portretten van religieuze leiders, votiefstukken, heiligenbeelden, planken met heilige spreuken horen er niet thuis, die hebben een plaats in een andere hoek van het huis, op een altaartje, aan een aparte wand, met een geheel eigen ernst. Het wandmeubel is werelds, wereldwijd, eigentijds.

Evenmin bevat het wandmeubel iets dat de huisgenoten zelf gemaakt hebben of dat vervaardigd is door lokale ambachtslieden: geen borduursel of houtsnijwerk, geen versierde potten of geweven doeken, hoogstens een ingelijste schooltekening van het jongste kind. Alle objecten zijn kant en klaar contant gekocht. Niets is ter plaatse, op maat, naar smaak, door iemand voor een ander gemaakt. De collectie gaat daaraan voorbij, is al veel verder in de wereld.

En juist in deze allerpersoonlijkste tentoonstelling van de allereigenste verworvenheden verschijnen de bewoners in hun allereigenste gedaante, als kleinburgers, maar dan toch ook als wereldburgers.

    • A. de Swaan