De almachtige God heeft tenslotte àlles geopenbaard, van kaft tot kaft; Philipse's academie wordt akelig stil

Is de theologie werkelijk een “van oudsher beginselvast vakgebied”, gebaseerd op “de enige gezaghebbende openbaring van Gods woord”, dat nu verradelijk wordt getroffen door postmoderne 'teugelloosheid', zoals de filosoof Herman Philipse beweert?

Nou nee. Wie bijvoorbeeld de wanhopige laat-middeleeuwse discussies leest over bijbelteksten waaruit de absolute armoede van Jezus Christus zou moeten blijken, of wie de virtuoze uitlegkunde van de negende-eeuwse theoloog Johannes Scotus Eriugena heeft bewonderd, zal bij deze stellingname verbaasd glimlachen. Toch is het - als ik zijn woorden tenminste goed interpreteer - de kern van Philipse's strafrede tegen de moderne theologie.

Philipse wil dat theologie wordt verwijderd van de gesubsidieerde universiteiten omdat de moderne theologen, losgeraakt uit hun ouderwetse discipline, de laatste tijd in de bijbelse verhalen 'symbolisch' zijn gaan lezen wat ze willen. “Theologie wordt een multiple choice test waarvan alle antwoorden goed zijn, terwijl ze elkaar toch onderling uitsluiten”, aldus Philipse. “Het toverwoord is 'interpretatie': (...) de lezer voelt zich vrij allerlei in de tekst te lezen wat de auteur onmogelijk bedoeld kan hebben.”

Vroeger was er wel orde, schrijft Philipse, omdat de laat-Romeinse kerkvergaderingen hadden vastgelegd welke de gezaghebbende boeken van het Oude en Nieuwe Testament waren. De theologie mocht daarmee niet in strijd komen, en zo bleef het totdat de wetenschappelijke revolutie de redelijke twijfel aan de bijbelse waarheden stimuleerde. Sindsdien zou de theoloog zich steeds meer in allerlei bochten van 'symbolische interpretatie' wringen.

Het is inderdaad opmerkelijk dat de neutrale staat theologische opleidingen aan de universiteit bekostigt, en er is zeker een scherp debat mogelijk over het wetenschappelijk gehalte van theologie. “Alleen puur historische bijbelinterpretatie kan wetenschappelijk zijn”, schrijft Philipse. Dat lijkt redelijk helder, al verduidelijkt hij niet wat hij met 'puur' historisch bedoelt. De uitkomst van zo'n debat kan ingrijpende consequenties hebben, of geldt datzelfde “puur historische” criterium soms niet voor rechtsgeleerdheid, filosofie en andere wetenschappen van 'tekst-interpretatie'? Het kan nog akelig stil worden aan de universiteit zoals Philipse die wenst.

In de rest van zijn aanval op de geprivilegieerde positie van godgeleerdheid aan de Nederlandse universiteiten gebruikt Philipse consequent de verkeerde argumenten. En dat hij deze verkeerde argumenten ten aanzien van theologie laat uitmonden in de algemene bewering dat aan de bijzondere universiteiten, zoals de Katholieke Universiteit Nijmegen en de Vrije Universiteit, geen “echte wetenschap” kan bestaan, is in mijn ogen kwaadaardig, en nog onwaar ook. Was de wereld maar zo simpel.

De absurde consequentie van zijn betoog over theologie is dat de beperkte uitlegkunde van de bijbel zoals die - volgens hem - vroeger bestond, wel mag worden toegelaten aan de universiteiten. Alsof die hiërarchisch scherp gecontroleerde theologie zoveel degelijker was, al vormden deze gedachten natuurlijk wel een veel coherenter logisch geheel dan de huidige vloedgolf aan zelfstandige denkers. Leve de teugelloosheid in het denken, zou ik dan liever zeggen.

Philipse's weergave van de christelijke traditie getuigt niet van veel kennis van zaken. Dat hij denkt dat de 'bijbelse' scheppingsdatum van 4004 voor Chr. (in oktober om precies te zijn) afkomstig is uit de King James-bijbelvertaling uit 1611, is vreemd, maar niet zo belangrijk. Tenslotte hoeft niet iedereen te weten dat die beroemde berekening - op grond van de geslachtslijsten in het Oude Testament - rond 1650 is gemaakt door de Anglo-Ierse aartsbisschop en filoloog James Ussher (1582-1656). Veel erger is dat Philipse de geordendheid van het Oude en Nieuwe Testament, die theologen vroeger zo strak bij de teugels zou hebben gehouden, veel te rooskleurig voorstelt. Je kunt van de Heilige Geest veel zeggen, maar niet dat hij inspireert tot logisch samenhangende geschriften. De christelijke theologie bestaat dan ook voornamelijk uit manmoedige pogingen om Gods volstrekt onsystematische 'openbaring' te begrijpen en te ordenen. De verwerping door het kerkgezag van allerlei gnostische evangeliën in de vierde eeuw maakten de overgebleven 'werkelijk geopenbaarde' bijbelboeken niet veel coherenter.

Ook Jezus zelf sprak al in 'gelijkenissen', symbolisch op te vatten verhalen, om zijn boodschap duidelijk te maken. Over de uitleg wordt nog altijd geruzied. En juist omdàt de bijbelboeken als het woord Gods worden beschouwd, kan de gelovige aan zinnen, aan woorden, ja zelfs aan letters allerlei betekenissen geven, want de almachtige God heeft tenslotte àlles geopenbaard, van kaft tot kaft. En dan kun je met een nieuwsgierige geest alle kanten op.

Het verst in de verkenning van die interpretatiefontein gingen de joodse kabbalisten, die zelfs aan de vorm van de hebreeuwse letters in de thora diepe waarheden ontleenden. De christelijke scholastici deden weinig voor hen onder. Derrida zou zich wat dat betreft in de middeleeuwen goed thuis hebben gevoeld.

In tegenstelling tot wat Philipse denkt, waren de bijbelboeken daarom ook helemaal niet de enige gezaghebbende openbaring. Er was ook de kerkelijke traditie, en die woog feitelijk veel zwaarder. Fons alter revelationis est traditio ecclesiastica, heet dat in de katholieke kerk, en deze 'geloofswaarheid' is al in de eerste concilies terug te vinden. De bijbel kregen de gewone gelovigen vaak niet eens te lezen, want dat was veel te verwarrend - en dat is ook zo. De protestantse kerken hebben die traditie in de zestiende eeuw die traditie afgezworen, maar hun sola scriptura gloria ('Alleen heil via de bijbel') leidde niet tot één gezaghebbende lezing, zoals al blijkt uit de vele kerkscheuringen die sindsdien die sector teisteren.

Het meest merkwaardig is daarom Philipse's beperkte opvatting van taal. Zijn uitgangspunt lijkt gezond: “Voor een gewetensvol filoloog is interpretatie een poging te achterhalen wat een historische auteur met een tekst bedoelde”. Maar die gewetensvolle filoloog moet wel half-goddelijk zijn, want diens eigen culturele horizon mag daarbij geen rol spelen, vindt Philipse. Volgens hem is er van een tekst maar één gezaghebbende interpretatie: “de oorspronkelijke”.

Maar wie bepaalt welke die oorspronkelijke is? Taal is zo flexibel, zo veelzijdig en bij nadere beschouwing zo diep in betekenislagen dat een auteur zijn eigen 'oorspronkelijke' bedoeling heel anders kan zien dan een hem na staande kritische lezer. Wie heeft er gelijk? Laat staan dat zulks over de eeuwen heen altijd even duidelijk is. Wie durft te beweren dat hij de 'oorspronkelijke' betekenis van het Nieuwe Testament kent? En hoe verklaart Philipse dat moderne 'gewetensvolle' geleerden sommige oudere 'gewetensvolle' interpretaties van historische bronnen inmiddels weer verwerpen? Wie is hier het meest 'gewetensvol'?

Dat er onder theologen veel onzin heerst wil ik graag geloven, maar in zijn filippica tegen hen kiest Philipse het filosofisch zwakke uitgangspunt van de negentiende-eeuwse positivisten. “In this life we want nothing but Facts, sir, nothing but Facts”, zoals de schoolmeester Gradgrind in Dickens' Hard Times blijft herhalen, terwijl zijn onmacht greep te krijgen op de complexe werkelijkheid om hem heen almaar groter wordt.

    • Hendrik Spiering