Componist Robert Heppener krijgt Johan Wagenaar Prijs voor zijn oeuvre; Een explosief schot in slow motion

Concert: Nationaal Jeugd Orkest o.l.v. Ed Spanjaard. Werken van Bruckner en Heppener. Gehoord 4/1 Anton Philipszaal Den Haag. Herh.: 7/1 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht, 10/1 Concertgebouw Amsterdam.

De geheimzinnige wereld van de Duitse dichter Eichendorff, vol maanverlichte landschappen, donkere schaduwen en ingestorte burchten, bekoorde Schumann, maar is niet minder betoverend door Hugo Wolff in tonen gevat. Wolff liep daarmee vooruit op de klankmagie van Debussy. Eigenlijk is al het begin van Schumanns Mondnacht uit de Liederkreis opus 39 impressionistisch te noemen.

Het is deze mysterieuze wereld van gespannen stilte en sfeervolle klankschaduwen die Robert Heppener weet te transformeren naar onze tijd. In de jaren '50 en '60 was hij voor de seriële componisten te veel een romanticus pur sang en voor het traditioneel ingestelde establishment was hij weer te modern.

Die instelling - onafhankelijk en integer - waardeerde de jury voor de Johan Wagenaar Prijs, die Heppener donderdagavond in de Haagse Anton Philipszaal werd uitgereikt door burgemeester Havermans. Heppener werd al eerder bekroond: met de Fontein-Tuynhout-prijs (1969), met de Willem Pijper Prijs (1970) en de Matthijs Vermeulen-prijs (1993). De Wagenaar Prijs is de meest prestigieuze: die geldt niet één bepaalde compositie, maar bekroont een oeuvre.

Het accent in Heppeners componeren ligt vooral op het vocale aspect. Van de ongeveer vijftig werken (de vele filmmuzieken buiten beschouwing gelaten) zijn er zo'n twintig vocaal. Bij de prijsuitreiking speelde het Nationaal Jeugd Orkest een groots opgezette instrumentale compositie: Boog uit 1988, geschreven in opdracht van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst en bestemd voor het eeuwfeest van het Koninklijk Concertgebouworkest.

Het is alsof Heppener het niet laten kan, want tegen het eind citeert hij een vocaal werk, het begin van Schumanns Mondnacht, met dat typerend tijdloze slot: Und meine Seele spannte weit ihre Flügel aus, flog durch die stillen Lande als flöge sie nach Haus. Dat citaat is overigens nauwelijks herkenbaar, meer een strikt persoonlijke associatie.

Opvallend is voorts hoe de zingende strijkers de hoofdrol spelen. Zij spannen de boog, het slagwerk biedt unheimliche accenten en de blazers versterken de maniakale, steeds maar weer uitgestelde climax van ronduit visionaire kwaliteit. Want duurt het spannen van een boog in werkelijkheid maar kort, misschien slechts enkele seconden, Heppener trekt voor het strak trekken van de lijn liefst 22 minuten uit, zoals ook het explosieve schot in slow motion klinkt. Vooral dat is gewaagd: akkoorden verdunnen zich tot één helle lijn, komen samen in één hoge noot. Het slot blijft pakkend, want ook een tweede keer zit je weer op het puntje van je stoel en dat wijst op hoge kwaliteit.

Dat vóór de pauze Anton Bruckners Vierde symfonie, de 'Romantische' op de lessenaar stond, heb ik minder gewaardeerd. Ed Spanjaards visie was op zichzelf interessant genoeg: in een grote greep op de vorm vooral sereen en beheerst, met veel ruimte in de bezinnende momenten, behoedzaam en toch beslist.

Boog klonk eerder met veel elan, al eiste de materie net iets teveel van het Nationaal Jeugd Orkest. In Bruckner musiceerde het orkest precies en zeker het koper klonk respectabel. Maar de zinderende, typisch Bruckneriaanse warme gloed ontbrak, de schuchtere klank van de strijkers bleef te schraal, resulterend in beijzelde muziek, een winterse romantiek.