Bouwen op z'n Amsterdams

EGBERT KOSTER: Oostelijk Havengebied / Eastern Docklands

144 blz., geïll., Architectura en Natura 1995, ƒ 59,50

Het Oostelijk Havengebied van Amsterdam is nog niet half voltooid, of er is al een schitterend fotoboek over verschenen, groot formaat en tweetalig: Oostelijk Havengebied / Eastern Docklands. Nu reeds heeft het gebied de kwaliteiten op stedebouwkundig en architectonisch gebied, die het een wereldwijde uitstraling zullen geven, zoals de woningbouw te Amsterdam uit de jaren twintig die nog steeds heeft.

Een deel van het Oostelijk Havengebied is al door en door bewoond, het zogenoemde 'voormalig Abattoirterrein', beter: de Architectenbuurt, en de aangrenzende 'Entrepôtbuurt'. Het KNSM-eiland is bewoond, maar voor een deel nog in aanbouw, het Java-eiland is volop in aanbouw en voor de rest zijn de plannen grotendeels gereed. Er wonen nu duizenden mensen en er zullen duizenden bijkomen.

De geschiedenis van dit bouwproces begon met de radicale omslag in het gemeentelijk beleid van 1978, toen de nieuwe gemeenteraad koos voor de compacte stad. Deze keuze zou een einde maken aan de overloop van de middengroepen, jonge gezinnen met kinderen en een gemiddeld inkomen, die uitzwermden van Purmerend tot Zwijndrecht. Die overloop was een demografische en economische ramp voor Amsterdam. Maar vanaf 1978 zou binnen de gemeentegrenzen naar bouwterreinen gezocht worden en moest Jan Schaefer de stagnerende woningbouw weer op gang brengen.

Amsterdam had destijds een negatief saldo, doordat er meer was gesloopt dan nieuw gebouwd. De stad heette 'vol' te zijn, maar op een legendarisch geworden fietstocht had PPR-raadslid Frans van de Ven al 1200 gaten in de bebouwing gevonden, goed voor een geschatte 20 à 25.000 woningen. Al snel benoemdew wethouder Van der Vlis enkele ambtenaren die bereid waren langs ongebaande paden te denken, in de Stuurgroep Aanvullende Woningbouw-lokaties (STAW) onder voorzitterschap van Wieger Nieuwenhuis. De STAW bracht in januari 1980 haar eerste rapport uit. Er waren, naar orde van moeilijkheid, A-, B- en C-locaties, tezamen goed voor naar schatting 40 à 60.000 woningen. De C-locaties waren tengevolge van planologische en juridische omstandigheden het lastigst. Hiertoe behoorde het Oostelijk Havengebied, dat toen juist door een van zijn laatste gebruikers, de KNSM, verlaten was.

Als een tank

Het Oostelijk Havengebied was niet het enige verlaten havengebied in de wereld. Overal stonden dit soort potentiële bouwlocaties in de belangstelling. De Londense Docklands, die zeer ambitieus en grootschalig waren opgezet, golden als afschrikwekkend voorbeeld van mislukking. In de Amsterdamse docklands ging het niet om gewone terreinen, maar voor een deel om kunstmatig aangelegde strekdammen in het IJ, waarvan men niet wist wat voor technische problemen ze zouden opleveren. Het ging ook over de vraag of, en zo ja hoeveel van de havenbekkens gedempt zou worden, en of er extra bruggen zouden worden aangelegd. Ernstig vervuilde grond was een handicap, waarmee ook andere docklands te kampen hadden.

Het bleek mogelijk alle moeilijkheden te overwinnen. Ambtenaren van diverse diensten moesten gemotiveerd zijn om gronden te verwerven, bestemmingen vast te stellen, stratenplannen te ontwerpen en zich te schikken onder het regime van externe stedebouwkundige ontwerpers. De wethouders Schaefer en Van der Vlis waren beiden bereid lang geheiligde regels te doorbreken, of ze nu uit Den Haag kwamen of door de machtige dienst Publieke Werken werden gekoesterd. Van Schaefer werd gezegd, dat hij 'als een tank door de procedures denderde'. Schaefer vertelde later hoe dat ging: “Dan belde zo'n ambtenaar uit Den Haag op en zei: 'Meneer Schaefer, in dat bouwplan moeten we op de eerste verdieping nog iets veranderen'. En ik antwoordde: 'Ach man, ik heb het dak er al op'.”

Van der Vlis brak met de tradities van de Charte d'Athènes, die Stadsontwikkeling van haar ontstaan af hadden beheerst, zoals die van licht, lucht en ruimte en van geringe woondichtheid; en hij stond dingen toe die tot dusver ondenkbaar waren geweest, zoals een inpandige keuken, dus zonder vensters, als er maar een ventilator in was; of jongerenappartementen in een vijfde woonlaag zonder lift. Om nieuwe energie te kanaliseren, doorbrak hij de ambtelijke hiërarchie door de instelling van projectgroepen met eigen verantwoordelijkheid, die per buurt en per project slagvaardig konden ingrijpen. Als sluitstuk van de vernieuwing koos men voor een nieuwe vorm van planontwikkeling. Voor het eerst in de geschiedenis van Amsterdam werd er niet eerst een master plan voor het gehele gebied gemaakt.

De fameuze Rotterdamse stadsontwerpster Riek Bakker, de geestelijke moeder van het plan van de Kop van Zuid, heeft eens in een toespraak gezegd: “Laat Amsterdam nu eens afstappen van de te grote ambities, zoals het perfectionisme van een eindplanning”, zei zij. Dit sloeg op het IJ-oeverproject waarin Amsterdam hopeloos verstrikt was geraakt. “Amsterdam heeft zijn beroemde plannen gehad, in deze eeuw Plan-Zuid van Berlage en het Algemeen Uitbreidingsplan van Van Eesteren. Maar de omstandigheden zijn er niet meer naar. Amsterdam zou moeten afzien van eindplanning en overgaan op procesplanning.” In het Oostelijk Havengebied is deze wens van Riek Bakker vervuld. Door stap-voor-stap planning kon elk onderdeel zijn eigen karakter krijgen: zijn eigen stratenpatroon, verdeling tussen hoogbouw en laagbouw, woondichtheid en verdeling tussen sociale en particuliere bouw. Bovendien kregen particuliere ontwikkelaars de gelegenheid hun bijdragen te leveren en kwam er een grote verscheidenheid van architecten aan bod. Het boek bevat een stippenkaart met 104 architectenbureaus.

De hier geschetste geschiedenis van een groot bouwplan leert dat het mogelijk is vastgeroeste denkpatronen en de competentiestrijd tussen ambtelijke diensten te doorbreken. Het is tegenwoordig mode de verkokering te beschrijven als de verschillende 'culturen' van diensten en bedrijven, maar vaak gaat het gewoon om onwil, koppigheid en onbekwaamheid.

De wethouders - meervoud, want het verschijnsel is niet specifiek Amsterdams - kunnen aan het Oostelijk Havengebied zien dat niemand zich bij het smoesje over 'cultuurverschil' hoeft neer te leggen.