Beursfraude

Een slimme beursfraudeur is niet te pakken, zo constateerde onlangs financieel strafrechtspecialist dr. D. Doorenbos. Dat was zijn reactie op een rechterlijke uitspraak in een proefproces die het speurders van de beurs naar fraude moeilijker maakt in de boeken van banken te neuzen. Afgelopen week bleek echter dat de instanties die belast zijn met de opsporing van beursfraude, het er zelf nog erger op maken.

Dat knelt het meest bij de bestrijding van misbruik van voorkennis, een ingenieuze vorm van beursfraude, die in 1989 strafbaar is gesteld en nog tot geen enkele veroordeling heeft geleid. Zowel de toezichthouders op de effectenhandel als het openbaar ministerie falen bij de effectieve bestrijding van dit vergrijp.

De geringe resultaten bij de opsporing hebben er natuurlijk mee te maken dat de bestraffing van misbruik van voorwetenschap in Nederland nog een betrekkelijk nieuw fenomeen is. Maar het komt vooral omdat het gaat om een buitengewoon ingewikkelde materie waarbij een grote mate van deskundigheid is vereist - expertise die zorgvuldig moet worden opgebouwd. Dat is niet mogelijk als in de periode van zeven jaar sinds het strafbaar stellen van misbruik van voorwetenschap achtereenvolgens vijf verschillende officieren van justitie met beursfraudedossiers zijn belast. Gisteren werd bekend dat mr J. Wortel die zich krap twee jaar met misbruik van voorkennis heeft beziggehouden, het hogerop zoekt als advocaat-generaal bij het Amsterdamse gerechtshof.

De Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE), die namens het ministerie van financiën is belast met de controle op de beurzen, heeft justitie er bij herhaling op gewezen dat de opsporingscapaciteit bij het openbaar ministerie moet worden uitgebreid om tot resultaten te komen. Bovendien liet de STE meerdere malen weten dat het maar eens uit moest zijn met de voortdurende wisseling van de wacht binnen de unit van het openbaar ministerie die belast is met beursfraude. Op die manier zou de samenwerking tussen justitie en de STE om fraudeurs het leven zuur te maken in gevaar kunnen komen.

Maar de STE zelf heeft ook boter op haar hoofd. De toezichthouder maakte woensdag bekend dat ze de 36-jarige accountant van Coopers & Lybrand J. van Nijnatten heeft aangetrokken als hoofd van de nieuw op te zetten afdeling die zich namens de STE met misbruik van voorwetenschap gaat bezighouden. Van Nijnatten, zo erkent de STE, heeft geen enkele ervaring met het opsporen van het complexe delict.

Achter die benoeming lijken grote meningsverschillen schuil te gaan over de vraag hoe de bestrijding van misbruik van voorkennis moet worden georganiseerd. Van Nijnatten is voor de STE niet de eerste keuze geweest, hoewel ze dat zelf ontkent. D.J. Groot, hoofd van de afdeling compliance van de optiebeurs, bevestigt dat hij, net als H.W. te Beest, het hoofd van het controlebureau van de effectenbeurs, gevraagd is voor de post. Beiden hebben de STE nul op rekest gegeven.

Voor Groot geldt naar eigen zeggen dat hij het erg naar zijn zin heeft bij de optiebeurs. Voor de ervaren Te Beest gelden volgens ingewijden aan het Amsterdamse Damrak ook andere argumenten. Als hoofd controlebureau heeft Te Beest leiding gegeven aan alle geruchtmakende beursonderzoeken van de afgelopen jaren, waaronder die naar de HCS-voorkennis-affaire met de toenmalige Begemann-president J. van den Nieuwenhuyzen in 1991 en de voorkenniszaak met de bestuurders van Borsumij Wehry afgelopen jaar.

Te Beest zou het echter niet eens zijn met het besluit om de onderzoeken naar misbruik van voorkennis af te splitsen van de overige controles op de effectenhandel die de beurs zelf mag blijven doen. Bovendien miste Te Beest in de hem aangeboden functie voldoende waarborgen om onafhankelijk te kunnen opereren.

Voor de doorgewinterde beursfraudeur zijn dergelijke problemen binnen de opsporingsinstanties natuurlijk koren op de molen. Dat klemt te meer daar de geschiedenis leert dat verdachten bij beursaffaires zich kunnen omringen met de duurste en meest deskundige advocaten.