Apologie van het diepe zuiden

EUGENE D. GENOVESE: The Southern Front. History and Politics in the Cultural War

320 blz., University of Missouri Press 1995, ƒ 58,75

EUGENE D. GENOVESE: The Southern Tradition. The Achievement and Limitations of an American Conservatism

138 blz., Harvard University Press 1994, ƒ 43,35

Als student aan de universiteit van Brooklyn gaf Eugene Genovese zijn studiegenoten vaak de raad plaats te nemen op de achterste banken in de collegezaal. Op die manier, wist hij, kan niemand je in de rug aanvallen, verbaal noch fysiek. Nu is Genovese een van de befaamdste historici in de Verenigde Staten, maar als Amerikaan van Siciliaanse afkomst heeft hij deze les in levenskunst uit het handboek van de mafia zelf altijd ter harte genomen. Hoewel zijn gepeperde uitspraken en provocaties hem verschillende keren in problemen brachten, bleven fatale consequenties uit, omdat hij zich altijd in de rug gedekt wist door zijn superieuren.

Tot twee keer toe dreigde Genovese zijn baan als hoogleraar in de geschiedenis van het Zuiden van de Verenigde Staten te verliezen. De eerste maal was toen hij in de jaren vijftig, op het hoogtepunt van de communistenjacht onder leiding van senator McCarthy, zei overtuigd te zijn van 'de morele superioriteit' van het marxisme. Gevolgen bleven uit omdat de decaan van de universiteit hem de hand boven het hoofd hield. Een klein decennium later was hij de eerste Amerikaanse hoogleraar die zich keerde tegen de oorlog in Vietnam. Sterker nog, Genovese zei zich te verheugen op een overwinning van de Vietcong. Richard Nixon probeerde daarop vruchteloos om hem alsnog van de universiteit verwijderd te krijgen.

Nog steeds neemt Genovese zelden een blad voor de mond. Hoewel hij midden jaren zestig de eerste was die pleitte voor het opzetten van 'Black Studies', wil hij niets weten van politiek-correct onderwijs. Toen geen universiteit van naam meer zonder departement voor Afro-Amerikanen leek te kunnen, waarschuwde hij onverbloemd voor kwaliteits-erosie. Ook vroeg hij zich openlijk af waarom de geschiedenis van slavenhouders in Amerika “tegenwoordig alleen nog wordt behandeld als voorwoord bij de historie van nazi-Duitsland”. Bovendien vond hij een vergelijking tussen de aartsconservatieve John Birch Society en de huidige generatie doctoraalstudenten in het voordeel van de eerste uitvallen.

Dergelijke retorisch vuurwerk dreigt echter de aandacht af te leiden van Genoveses serieuze historische werk. Samen met zijn vrouw, de historica Elizabeth Fox-Genovese, geldt hij als autoriteit op het gebied van de mentaliteitsgeschiedenis van het vooroorlogse Zuiden. Hoogtepunt van zijn aanzienlijke oeuvre is Roll Jordan Roll uit 1974, een sociale geschiedenis van de slaven. Een soortgelijk werk over de slavenhouders staat op stapel, maar het is de vraag of het ervan komt. Genovese lijkt zich steeds minder te bekommeren om het verleden. In plaats daarvan wijdde hij zich in de onlangs verschenen boeken The Southern Front en The Southern Tradition, aan een ambitieuzer project: de vraag in hoeverre zijn studieterrein uitweg kan bieden voor de morele crisis waaraan Amerika volgens hem ten prooi is gevallen.

Uit deze twee werken blijkt dat de marxist van weleer, die de Sovjet-Unie steunde tot het 'bittere einde' in 1991, sindsdien een politieke draai heeft gemaakt van honderdtachtig graden. Genovese gaat niet zo ver slavernij en racisme te verdedigen, maar in elk ander opzicht kunnen we volgens hem veel leren van de eigenschappen die hij het zuiden van de Verenigde Staten toedicht: saamhorigheid, hoffelijkheid en gevoel voor proporties. Cultuurfilosofen die de teloorgang van het gemeenschapsgevoel in Amerika betreuren, zouden volgens hem eens vaker voet moeten zetten in staten zoals Georgia, Alabama en Mississippi waar het moderne leven hoegenaamd nog geen wortel heeft geschoten. Het modieuze communitarisme wordt er, betoogt Genovese, sinds jaar en dag in praktijk gebracht. De dwarse historicus blijkt bekeerd tot de doctrine van statesrights: meer macht aan de deelstaten ten koste van de centrale overheid in Washington, maar dan ontdaan van de racistische bijklank die er voorheen aan kleefde.

De toekomst voor Afrikaans-Amerikanen ziet Genovese overigens somber in als zich geen radicale beleidswijziging voordoet. De integratie-idealen van de jaren vijftig en zestig acht hij mislukt. In navolging van enkele Republikeinen en Afro-Amerikaanse separatisten pleit hij voor het opzetten van speciale districten voor zwarten, maar hij is tegelijkertijd een fel tegenstander van het afschaffen van de voorkeursbehandeling voor Afro-Amerikanen. Hun positie is vanwege de erfenis van slavernij volgens hem niet te vergelijken met die van andere minderheidsgroepen.

Genoveses betoog is minder verwonderlijk dan het lijkt. Hij heeft zich altijd afgezet tegen liberalism, de links liberale ideologie die onder Amerikanen intellectuelen dominant was vanaf president Roosevelt en de New Deal. De individuele vrijheid en het sociaal-kapitalisme die er de basis van vormen, hebben volgens hem geleid tot ontworteling, chaos en verval. Nu bepleit hij, uit wanhoop wellicht over de sociale patstelling de de Verenigde Staten, een Amerikaans conservatisme southern style. Het biedt hem de gelegenheid te blijven afgeven op een politieke filosofie die hij verafschuwt.

Het blijkt, betoogt Genovese in deze boeken, dat het zuiden, met zijn traditie van particularisme, het bij het rechte eind had: hoe minder federale bemoeienis, hoe meer macht aan kleine gemeenschappen, des te beter het met de Verenigde Staten zal gaan. Nu met het in de wet verankerde racisme officieel is afgerekend, zou Amerika aan kracht en vitaliteit winnen als het, in omgekeerde zin, de mores van het zuiden zou overnemen. In één adem prijst Genovese het traditionele christelijke geloof van de regio als een bindend element dat de erosie van de maatschappij kan tegengaan.

Zowel The Southern Front als The Southern Tradition is geschreven in een stijl die typisch is voor Genovese: elegantie gelardeerd met memorabele one-liners om tegenstanders te vloeren. Het eerste boek bestaat uit opstellen die hij het afgelopen decennium schreef, het tweede is een uitgewerkte lezing. In The Southern Front staat ook een mooi essay over zijn studietijd en gaat hij nader in op de theologische studiegeschriften van Martin Luther King, waarbij hij overtuigend aantoont dat diens plagiaat veelomvattender was dan tot nu toe werd aangenomen. Maar Genovese haast zich te zeggen dat een en ander geen afbreuk doet aan Kings statuur als politiek leider.

In het opstel 'De Vraag' probeert de historicus zichzelf en zijn politieke verleden op de pijnbank te leggen, maar veel meer dan een verklaring over “miljoenen lijken van het stalinisme die aan zijn geweten knagen” krijgt de lezer niet. In plaats daarvan geeft Genovese antwoord op een vraag die hij veel klemmender noemt: hoe komt het dat hij nog door niemand is aangesproken op zijn 'foute' politieke verleden? Antwoord: omdat zijn oude idealen in het huidige postmoderne klimaat volstrekt irrelevant zijn geworden.

Maar misschien, schrijft hij elders, moeten we ons niet te veel aantrekken van de uitspraken van iemand die “tot voor kort ervan overtuigd was dat de toekomst behoorde aan het socialisme en nooit had verwacht dat de Sovjet-Unie ineen zou storten”. Een hele opluchting voor degenen die zo hun bedenkingen hebben over de praktische toepasbaarheid van Genoveses gedachtengoed.

    • Menno de Galan