Adam Smith (1723-1790); Meer dan econoom

I.S. ROSS: The life of Adam Smith

XXVII + 495 blz., geïll., Clarendon Press 1995, ƒ 73,50

Adam Smith leeft voort, en niet alleen onder economen, als de peetvader van de staathuishoudkunde als zelfstandige wetenschappelijke discipline, en als de auteur van The Wealth of Nations dat verscheen in 1776. Het is niet zijn enige boek, maar wel een van zijn twee beroemdste werken en naar veler overtuiging een rijke bron van veel economische denkbeelden, of inspiratie tot precisering. Een nog steeds aansprekend voorbeeld is zijn befaamde 'hidden-hand'. Dit beeld, gangbaar onder economen, trof ik niet aan in The life of Adam Smith, een minutieus geschreven, systematische en mooi opgezette biografie.

De auteur, Ian Simpson Ross, is emeritus hoogleraar Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van British Columbia, dus bepaald geen econoom of filosoof van professie, maar dat was Smith ook niet. Hij bezorgde eerder Smith's brieven, schreef een biografie over Lord Kames, Schots rechtsgeleerde en beschermheer van Smith, en over de 15de-eeuwse Schotse dichter Dunbar. Het feit dat de biograaf van Smith een man van de schone letteren is, maakt het boek des te boeiender. Hier komt nog bij, en Ross' boek laat dit overtuigend zien, dat ook Smith een man van brede belangstelling is geweest die zich evenzeer voor taalkunde en poëzie interesseerde als voor de inrichting van de samenleving, rechtsfilosofie en ethiek, de economische- en culturele geschiedenis en staatsfinanciën.

Glasgow

Adam Smith werd geboren in 1723 in Kirkcaldy, een havenplaatsje zo'n tien mijl ten noorden van Edinburgh. Op 5 juni van dat jaar werd hij gedoopt en de biograaf vermoedt dat dit ook zijn geboortedatum is. Hij was een telg uit een betrekkelijk welgestelde Schotse familie, van moederszijde nazaat van de kleine landadel, van vaderszijde afkomstig uit de kringen van hoge belastingambtenaren, die met kracht voor de Unie met Engeland uit 1707 hadden gestreden. Ten tijde van zijn geboorte was zijn vader, ook een Adam Smith, reeds overleden.

Smith ontving, mede door de zorgen van zijn protestant-religieuze moeder en invloedrijke vrienden van zijn overleden vader, een degelijke schoolopleiding in zijn geboorteplaats en werd in 1737 als 14-jarige toegelaten tot de Universiteit van Glasgow. De keuze voor Glasgow in plaats van het nabij gelegen Edinburgh werd vooral bepaald door de toenmalige goede wetenschappelijke reputatie van Glasgow, een bedrijvige stad die ten volle de economische vruchten plukte van de politieke- en economische unie met Engeland en de opkomende handel met Noord-Amerika. Deze bloei werd verder begunstigd door Glasgows ligging aan de Atlantische Oceaan. Hier, evenals eerder al in zijn geboorteplaats, kon Smith, zo betoogt zijn biograaf, het belang van vrijheid van handel en bedrijvigheid voor economische opbloei dagelijks met eigen ogen waarnemen. Glasgow was ook het centrum van de Schotse verlichting en de universiteit was in volle ontwikkeling.

Onder zijn leermeesters in Glasgow waren de vooraanstaande wiskundige Robert Simson en de moraal-theoloog en wijsgeer Francis Hutcheson. Hun portretten hangen nog steeds in de portrettenzaal van de universiteit. Hutcheson heeft, naar Ross betoogt, het denken van Smith gevormd en diepgaand beïnvloed. Hutcheson nam onder andere stelling tegen Mandeville's zienswijze dat de menselijke natuur intrinsiek zelfzuchtig is en stelde daarvoor in de plaats het streven naar harmonie met een ondertoon van deïsme. Deze neiging naar het goede in de filosofie van Hutcheson heeft, zo stelt de biograaf op goede gronden, velen beïnvloed en zeker zijn meest getalenteerde leerling, al zou Smith in zijn Wealth of Nations met betrekking tot Mandeville's zienswijze minder ver gaan dan zijn leermeester. In Glasgow deed hij ook het inzicht op dat de traditionele rol van de wijsbegeerte als dienstmaagd van de theologie remmend had gewerkt op de ontwikkeling van de filosofie als zelfstandig vak, zeker aan de universiteit van zijn jongensjaren.

In 1740 vertrekt Smith naar Balliol College in Oxford om zijn studie te vervolgen. De reis uit Edinburgh ging per paard en kostte zes tot acht dagen. Voor de studie in Oxford was hem wegens de goede prestaties in Glasgow een prestigieus en royaal stipendium toegekend, vooral met oog op de vorming tot predikant in de Schotse kerk. Deze ambitie liet Smith snel varen. Het gezapige intellectuele klimaat in Oxford kon de vergelijking met Glasgow bij lange na niet doorstaan en zou, volgens Ross, mede samenhangen met de zelfingenomenheid van de meeste hoogleraren van het oude Engelse universiteitsstadje, die door hun veilige financiële positie en wetenschappelijke onaantastbaarheid geen enkele concurrentie meer hoefden te duchte

De jaren in Oxford waren niet de aangenaamste in zijn leven, maar boden de student Smith niettemin volop gelegenheid tot lezen en peinzen. Hierdoor kon hij zich een grote eruditie verwerven, waarvan hij in zijn latere leven met veel vrucht gebruik zou maken. Hij zou tot 1746 in Oxford, waar toendertijd een zekere afkeer van Schotten heerste, blijven om zich vervolgens metterwoon in Edinburgh te vestigen. Hier voorzag hij in zijn levensonderhoud door voordrachten en cursussen voor de burgers die in deze economisch bloeiende stad hongerden naar kennis. Hij verdiende aldus goed zijn brood en, wat belangrijker is, legde met de voorbereiding van deze lessen een stevige basis voor zijn latere intellectuele- en literaire arbeid. Door deze lessen verwierf hij ook een grote bekendheid en eerste roem en hiervan draagt zijn biograaf tal van getuigenissen aan.

In 1751 wordt hij benoemd als hoogleraar aan de universiteit van Glasgow op de door het overlijden van Smith's vroegere, overigens niet hogelijk bewonderde, leermeester Loudon vrijgekomen leerstoel voor logica. Dit hoogleraarschap, dat zou duren tot 1764, werd een vruchtbare tijd voor Smith als docent en als schrijver van wetenschappelijke en literaire boeken en artikelen.

Binnen een jaar verwisselde hij de leerstoel logica voor die van moraal-filosofie. Een van de onderwerpen die hij in dat verband behandelde, was de vraag wat goedheid is en wat mensen er toe brengt deugdzaam te zijn. Dit geschiedde in een historisch perspectief, beginnend met Plato en gaande tot zijn Schotse tijdgenoot en vriend David Hume, met op de achtergrond de rechtfilosofische opvatting van onder anderen Montesquieu. Uit de fragmenten die van deze colleges zijn bewaardgebleven, kan in elk geval worden afgeleid, zo beweert Ross, dat in Glasgow de basis werd gelegd voor zijn Theory of Moral Sentiments, Smith's andere beroemde boek. Dat verscheen in 1759 en trok onmiddellijk de aandacht zowel in het Verenigd Koninkrijk als op het Europese continent. In dit boek, dat vooral het streven naar eigenbelang plaatste in het licht van het algemeen belang en de ongenuanceerde zelfzucht à la Mandeville afwees, besteedde Smith ook aandacht aan economische- en juridische zaken zoals rente, wissels, aandelen en papiergeld, onderwerpen die ook zouden terugkeren in zijn andere beroemde boek, The Wealth of Nations uit 1776. Uit deze tijd stammen ook verschillende niet gepubliceerde manuscripten over jurisprudentie welke gevonden zijn aan het eind van de 19de eeuw en zelfs nog in 1958. De verwerking van deze nieuwe vondsten onderscheidt Ross' levensbeschrijving van die door John Rae uit 1895 (Life of Adam Smith, MacMillan, Londen), lange tijd de voornaamste informatiebron over Smith.

Het jaar van verschijning van Smith's tweede hoofdwerk, The Wealth of Nations is ook het jaar van de Amerikaanse opstand tegen Engeland en brokstukken van de daaraan voorafgaande debatten vinden we in dit boek terug. Anders dan zijn eerste hoofdwerk over de moraalfilosofie gaat dit boek echter vooral over algemeen-economische vraagstukken zonder daarvan een echt systematische behandeling te geven. Beide boeken bezitten echter eenzelfde leidend beginsel. In zijn eerste boek is dit de 'sympathy', dat wil zeggen het vermogen van het individu zich te verplaatsen in de gewaarwordingen van de ander. In The Wealth of Nations vervult de mededinging deze rol. Veel van de gedachten in dit boek gaan terug op de ervaringen die hij opdeed tijdens zijn grote Europese reis van 1764 tot 1766 als leermeester en metgezel, travelling tutor, van de jonge hertog van Buccleugh, waarvoor hij zijn hoogleraarschap in Glasgow opgaf.

Deze merkwaardige escapade, waardoor hij geruime tijd woonde in Parijs, Toulouse en Genève, verklaart Ross - maar Rae deed dit honderd jaar eerder ook al - mede uit de financiële aantrekkelijkheid van het verzoek. Het leverde hem een jaargeld van driehonderd pond voor het leven, ongeveer het dubbele van zijn hooglerareninkomen dat bovendien zonder pensioenvoorziening was, en zekerheid voor het leven.

Sympathiek

Deze financiële zekerheid sindsdien bood Smith de volle gelegenheid zich voor de rest van zijn leven aan de wetenschap te wijden. Dit leven speelde zich grotendeels af in Edinburgh, maar ook in Londen, waar hij soms voor langere tijd woonde, mede met oog op zijn publicistische activiteit. The Wealth of Nations is hiervan een van de vruchten, maar ook als schrijver van artikelen en als spreker bleef hij actief en onderhield hij zijn talrijke nationale en internationale wetenschappelijke contacten. Voorts vervulde hij, de grote strijder voor vrijhandel in zijn geschriften, vanaf 1778 in het voetspoor van zijn vader ook de functie van beheerder van de douane in Edinburgh, een taak waarvan hij zich met veel zorg heeft gekweten. Op 19 juli 1790 stierf Smith, ongehuwd, bemind door zijn stadgenoten en omgeving.

Ross schetst Smith als een boeiend persoon en geleerde in hart en nieren. Hierdoor valt de nadruk in zijn boek vooral op de wetenschapsbeoefenaar Smith, wat deze biografie onderscheidt van de levensbeschrijving door Recktenwald uit 1976 (Adam Smith: Sein Leben und sein Werk, Becksche, München), waarin ook de persoonlijke levenssfeer veel aandacht krijgt. Smith komt bij Ross vooral naar voren als een man met brede wetenschappelijke belangstelling en een veelzijdig auteur die groot gezag genoot. Dit werd nog versterkt door zijn sympathieke persoonlijkheid.

Heel treffend is de warme vriendschap met de andere grote Schotse geleerde, David Hume. Onderlinge naijver, zo gangbaar bij geleerde tijdgenoten, ontbrak geheel. Integendeel, zij hadden uitvoerige gedachtenwisselingen over elkaars werk en zij stimuleerden elkaar blijkens de brieffragmenten die Ross laat zien. Treffend is ook dat de econoom Smith, zoals in dit boek geschetst, de econoom is van een geheel ander type dan we thans gewend zijn: de grand design en zorg voor de optimale economische orde voeren bij Smith de boventoon en technische details of spitsvondigheden ontbreken of blijven steeds ondergeschikt. Het is of economie dientengevolge echt weer staathuishoudkunde wordt.

    • M.M.G. Fase