We zullen allemaal mooie dingen maken, hè Albertje; De correspondentie van Tachtiger Albert Verwey

Albert Verwey, een van de oprichters van De Nieuwe Gids, staat te boek als een grijze figuur. De nu gepubliceerde brieven van en aan de dichter maken een eind aan deze mythe. “In Verweys brieven ontroert de afwisseling van hoge ernst en intens flauwe humor.”

Albert Verwey. Briefwisseling 1 juli 1885 tot 15 december 1888. Bezorgd, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Margaretha H. Schenkeveld en Rein van der Wiel. Uitg. Querido, 681 blz. Prijs ƒ 75,-.

'Wij waren burgerjongens', schreef Herman Gorter over de dichters van Tachtig die honderdtien jaar geleden de bezem door de Nederlandse literatuur haalden. Burgerjongens, over wie hij zich verwonderd afvroeg wat het was 'dat ons, in eens, zulk een onstuimige kracht gaf, dat wij opvlogen, en iets, ook maar iets van de Schoonheid bereikten.'

Vrijwel alle Tachtigers spreken tot de verbeelding: de romantische Kloos met zijn alcoholische kop waaraan zulke hartstochtelijke verzen ontsproten, Van Deyssel met zijn scheldkritieken, zijn onzedelijke roman Een liefde en zijn bizarre gewoontes, Van Eeden, die later de kolonie Walden stichtte en vanzelfsprekend Gorter, boeiend vanaf zijn epos Mei tot en met zijn vurig beleden communisme. Alleen Albert Verwey, de jongste van de hemelbestormers die in 1885 het tijdschrift De Nieuwe Gids oprichtten, leeft in de literatuurgeschiedenis voort als een degelijke, betrekkelijk saaie kamergeleerde, iemand die alleen maar geen burgerjongen was gebleven omdat hij burgerheer werd.

Verwey (1865-1937) was de veelbelovendste van De Nieuwe Gids-redacteuren en zou het in maatschappelijk opzicht ook het verst schoppen. Hij was pas twintig toen de revolutie in de Nederlandse letteren begon, maar met zijn bijdragen in De Nieuwe Gids maakte hij binnen een jaar naam als dichter en criticus. Hoewel hij geen academische opleiding had - hij zakte voor zijn staatsexamen gymnasium - bracht hij het bovendien als enige Tachtiger tot hoogleraar.

Uit het eerste deel van Verweys correspondentie, een omvangrijke uitgave die de eerste jaren van De Nieuwe Gids beslaat (van juli 1885 tot december 1888), komt Verwey inderdaad naar voren als de kleine burgerjongen van Gorter, maar wel bezeten van schoonheid en overlopend van talent. De bittere ernst waarmee hij die schoonheid zocht, zijn dichterschap beleed, het werk van vrienden beoordeelde en hen persoonlijk bijstond, maken zijn correspondentie tot een feest. Zowel zijn eigen brieven als die van anderen aan hem vernietigen de mythe dat Verwey een wat grijze figuur was.

Terecht noemen de samenstellers deze publikatie een 'rijke illustratie' van Enno Endts studie Het festijn van tachtig (1990), een van de aardigste boeken die over deze cruciale episode in de Nederlandse letteren zijn geschreven. Endt toonde de 'binnenkant' van Tachtig en liet de lezer meegenieten van het collectieve avontuur waarin jonge literatoren en schilders elkaar in hun overmoed tot grote hoogten opzweepten. In de Verwey-correspondentie komen we alle figuren uit Het festijn van Tachtig tegen.

In Verweys brieven ontroert de afwisseling van hoge ernst, bijvoorbeeld in zijn uiteenzettingen over schoonheid en zijn kritiek op het naturalisme, en de intens flauwe humor van iemand die nog bijna een puber is: 'Weet je waarom Kloos niet werkt? Als hij-zelf of iemand anders tegen hem zeit: Werk Kloos! dan verstaat hij Werkeloos!'

Dweepziek

De combinatie van ernst en kinderlijkheid vertederde ook de vrienden, niet het minst de vrouwen onder hen. Roerend zijn de brieven van Martha van Vloten, aanvankelijk verloofd, later getrouwd met Frederik van Eeden. Zij noemde Verwey 'Albertje-lief', troostte hem nadat hij gezakt was voor zijn staatsexamen en smeekte hem, enigszins dweepziek, verzen voor haar te maken omdat zijn stemming en gevoelens zo overeenkwamen met de hare. 'Ach Albertje, ik wenschte dat ik minder zwaarmoedig was; toe maak een vers voor mij, dat ik huilen moet.' Natuurlijk maakte Albertje het vers voor Martha, maar zijn hartstocht lag bij de vernieuwing van de literatuur. Trots schreef hij aan Jacobus van Looy, die in het buitenland vertoefde, over De Nieuwe Gids en aanverwante stromingen als 'de psychische werkplaatsen, waar de materialen en de wapens gemaakt worden, waar een groote nieuwe stad mee moet gebouwd en verdedigd worden (-) Ik voor mij heb dikwijls een gevoel van zware arbeid in al mijn zintuigen: een geluid van groeien rondom en in me, dat ik voel als een groeien van mijn vleesch - geweldig zooals het groeide bij de Godenkinderen, wier lichamen geschroeid werden met vuur'.

Hij was de enige niet die overliep van zelfvertrouwen en grootse verwachtingen. 'Heerlijk dat Kloos aan het werk is; hè, 'k zou er bijna opgewonden van worden; Ja we zullen allemaal mooie dingen maken, hè Albertje?' schreef de schilder Willem Witsen.

Minstens zo aardig als de soms enigszins megalomane uitwisselingen over kunst zijn de inkijkjes in het persoonlijk leven van de briefschrijvers. In de eerste plaats natuurlijk in dat van Verwey zelf. Al op jonge leeftijd wees geworden, leefde hij vanaf zijn elfde met een broer, zus en stiefzus bij zijn stiefmoeder op de Nassaukade in Amsterdam. Ook toen hij al hoog en breed redacteur was van De Nieuwe Gids bleef hij thuis wonen en voelde hij zich verantwoordelijk voor zijn naasten, in het bijzonder voor zijn broer Chris die aan tbc leed. Bleek steekt zijn bestaan af tegen het wilde leven van zijn boezemvriend Willem Kloos die van café naar café en van kamer naar kamer zwierf.

Jaloezie

Verweys treurige jeugd verklaart zijn hang naar huiselijk geluk, dat hij uiteindelijk vond bij Martha's zus Kitty van Vloten. In augustus 1888, Albert was 23 en Kitty 21, verloofden zij zich in stilte en vanaf die tijd wisselden zij dagelijks brieven. De epistels van Verwey aan zijn geliefde zijn bewaard gebleven en vormen het hoogtepunt van de correspondentie, temeer daar ze nooit eerder zijn gepubliceerd. Vanuit biografisch oogpunt zijn vooral de passages interessant waarin Verwey Kitty moet vertellen over zijn relatie met Willem Kloos. Zoals bekend wekte Verweys verloving bij Kloos een hysterische jaloezie op die uiteindelijk leidde tot een breuk tussen de beide dichters en tot Verweys uittreden uit De Nieuwe Gids-redactie.

Over de vraag of de liefde tussen Kloos en Verwey homoseksueel van aard was, zoals vaak is gesuggereerd, geven de brieven geen opheldering. Verwey brengt Kitty in uiterst discrete bewoordingen op de hoogte van zijn verhouding met Kloos. Directer is een brief van Kloos zelf, waarin deze zich opstelt als een rouwende geliefde. 'Liefste Albert', luidt de aanhef van de brief, waarin hij zijn 'liefste lief' in dichtvorm bekent te gretig geweest te zijn en zo te hebben 'verlangd naar streelingen van handen/ Gespeel door lokken en gevlei/ en innig-vaste, warme banden/ Van armen om mij allebei'. Dit is overigens een van de weinige vriendelijke schrijfsels van Kloos, in de andere brieven naar aanleiding van Verweys verloving toont hij zich een dreinende, verwende dwingeland wiens speelgoed is afgepakt.

In de correspondentie is nog weinig te bespeuren van de politieke meningsverschillen die de Tachtigers later uit elkaar zouden drijven. Van een vooruitstrevende stellingname op maatschappelijk vlak getuigt geen enkele brief. Wel blijkt de jonge Verwey uitgesproken vijandig te hebben gestaan tegenover vrouwenemancipatie. In een brief over een etentje bij de ouders van Van Eeden waar ook de vooraanstaande feministe Aletta Jacobs voor was uitgenodigd, schrijft hij: 'Maar Kitty, dat is vreeselijk, dat is onverdragelijk, dat overstijgt het perk en peil van de rekbaarheid van menschelijke verdraagzaamheids-zenuwen. Juffrouw Jacobs komt mee dineren, Dr begrijp-ie, Dokter. Dat is de zich in wanhoopsnevelen verliezende top van den berg dezer aardsche verdrietelijkheid, dat is het uiterste, saamkrimpende ringetje van den draaikolk van Van Eedensche dinerrampen (-) dat is de vriendin van zieken, die niet hoort bij gezonde menschen. (-) Ik heb al het land aan Emants, aan den Heer Emants, maar nu de ge-Emants-ipeerde Vrouw ook nog.'

De uitgave van deze correspondentie, ruim 800 brieven van 104 personen, is mogelijk gemaakt door het vele voorbereidende werk verricht door het universitaire brievenproject Albert Verwey, dat integrale publikatie van zijn correspondentie beoogt. Hoewel de hier bestreken periode, 1885 tot 1888, ongetwijfeld tot de interessantste behoort omdat de oprichting en beginjaren van De Nieuwe Gids erin vallen, is al het moois hiermee nog niet vergeven. Van de correspondentie van Verwey met zijn vrienden uit de jaren negentig stelde zijn dochter Mea Nijland-Verwey in 1949 het schitterende boekje Kunstenaarslevens samen, waarin Alphons Diepenbrock, Herman Gorter, het echtpaar Henriëtte en Richard Roland Holst en Jan Toorop aan bod komen. Ongetwijfeld zullen uit de complete correspondentie nog veel meer juweeltjes te voorschijn komen.

    • Elsbeth Etty